Bron: Ministerie van Justitie
Seksueel misbruik van kinderen schokt mensen zeer omdat het
slachtoffers betreft die weerloos zijn. De meeste mensen krijgen hun
informatie over seksueel misbruik van kinderen via de krant of de
televisie. De media richten zich vaak op extreme gevallen en dat
vertekent het algemene beeld. In de berichtgeving wordt zelden
gesproken over de achtergronden van het misbruik, wat de gevolgen
zijn voor het slachtoffer en hoe je als ouders kunt voorkomen dat je
kind seksueel misbruikt wordt.Nogal wat ouders maken zich ongerust
en zitten met allerlei vragen.Waarom maken sommige volwassenen
misbruik van kinderen? Hoe kunnen ouders en school signalen
herkennen die mogelijk wijzen op misbruik? Wat kan de hulpverlening
aan steun bieden aan slachtoffers? Wat doen politie, justitie en
hulpverlening met de plegers?
U vindt in deze brochure antwoord op deze en andere vragen op basis
van feiten die ons uit wetenschappelijk onderzoek bekend zijn. De
brochure is geschreven voor volwassenen die privé of via hun werk
met kinderen te maken hebben, maar vooral ook voor ouders en jong
volwassenen.
Het is van belang dat u zo veel mogelijk weet over het onderwerp, zodat u
niet onnodig ongerust hoeft te zijn en tijdig risico’s kunt onderkennen.
Deze brochure is samengesteld in het kader van het Nationaal
Actieplan Seksueel Misbruik van Kinderen van het ministerie van
Justitie.
A Aard en omvang van seksueel misbruik
Onder seksueel misbruik van kinderen verstaan we seksuele contacten van (jong)
volwassenen met kinderen jonger dan zestien jaar, die plaatsvinden tegen de zin
van het kind of zonder dat het kind deze contacten kan weigeren. Daders zetten
het kind emotioneel onder druk, dwingen het of weten door hun overwicht te
bereiken dat het zich niet aan de seksuele toenaderingen kan onttrekken.
In Nederland is seksueel contact met een kind beneden de twaalf jaar zonder
meer strafbaar. Ook contact met een jongere tussen de twaalf en zestien jaar is
strafbaar maar de politie komt volgens het geldende recht alleen in actie als
aangifte wordt gedaan en een klacht wordt ingediend door de jongere, de
ouders of de Raad voor de Kinderbescherming. Het is immers niet de bedoeling
dat een jongen van zeventien die met zijn vriendinnetje van vijftien naar bed
gaat, wordt vervolgd. In het belang van de bestrijding van seksueel misbruik is
wetgeving in voorbereiding, waarbij zonder klacht tot vervolging kan worden
overgegaan. De minderjarige krijgt dan de gelegenheid zijn mening te geven.
Ook strafbaar is de volwassene die seksueel contact heeft met een minderjarige
(beneden de achttien jaar) die afhankelijk van hem is: een vader met een dochter
of een leraar met een leerling.
Er is een grote variatie in aard en ernst. De volgende indeling is te maken:
Bijna 40% van alle vrouwen heeft vóór hun zestiende levensjaar een of meer negatieve ervaringen met seksueel misbruik.
Uit landelijk Nederlands onderzoek blijkt dat ruim vijftien procent van de
vrouwen voor het zestiende levensjaar een negatieve seksuele ervaring heeft
meegemaakt met een familielid. Iets meer dan de helft van deze slachtoffers is
ernstig misbruikt: er waren herhaalde (pogingen tot) verkrachting, er werden
andere ingrijpende seksuele handelingen afgedwongen óf er was sprake van
verschillende daders. In eenderde van de gevallen betrof het een eenmalige
gebeurtenis, bij eenderde deel ging het om meer dan vijf keer en bij het
resterende deel om veel voorkomende gebeurtenissen over een lange periode.
De daders waren voornamelijk vaders, oudere broers en ooms.
Eén procent van de (mede)plegers was vrouw. Daarnaast is 24 procent van de
vrouwen in hun jeugd geconfronteerd met (meestal eenmalig) seksueel misbruik
door iemand die niet tot de familiekring behoorde: een oudere jongen, een
onderwijzer, een buurman, de vader van een vriendinnetje, een volwassen
vriend van het gezin of een onbekende man. In bijna de helft van deze gevallen
deed de dader een poging tot verkrachting of dwong het slachtoffer tot masturbatie.
De kans dat een kind dodelijk slachtoffer wordt van een
psychopate pleger van seksueel geweld is heel klein.
Als we de gebeurtenissen binnen en buiten de kring van verwanten combineren,
blijkt dat bijna 40% van de vrouwen vóór het zestiende jaar een of meer
ervaringen met seksueel misbruik heeft gehad. De meest voorkomende leeftijd
waarop misbruik vaak voorkomt ligt tussen de acht en twaalf jaar.
Naar seksueel misbruik van jongens is in ons land nog geen landelijk onderzoek
verricht. Buitenlandse studies tonen aan dat drie tot negen procent van de
jongens misbruikervaringen kent, meestal gepleegd door mannen buiten de
kring van familieleden.
Het aantal misbruikzaken dat het openbaar ministerie behandelt is de laatste
jaren redelijk stabiel. Het gaat om ongeveer 2.050 tot 2.350 zaken per jaar. Het
aantal zaken waarin de rechter uiteindelijk een beslissing neemt schommelt
van 1997 tot en met 1999 tussen de 500 en 550 per jaar voor meerderjarige
verdachten en bedraagt circa 135 per jaar voor minderjarige verdachten.
Het aantal zaken waarbij moord en doodslag plaatsvindt is gemiddeld, hoe
ernstig ook, nog geen drie per jaar (gerekend tussen 1992 en 2000).
De gevolgen op korte termijn variëren in ernst en kunnen geestelijk of lichamelijk
van aard zijn:
Veel symptomen zijn niet alleen het gevolg van de seksuele contacten, maar
hebben ook te maken met andere problemen die het kind belasten: de druk tot
geheimhouding die door de dader werd afgedwongen en het gevoel van medeplichtigheid
dat het kind werd opgedrongen. Bij seksueel misbruik binnen het
gezin zijn er extra nadelige gevolgen als het kind of de jongere misbruikt wordt
door de vader en als er sprake is van langdurige en ernstig verstoorde relaties in
het gezin, lichamelijke mishandeling, emotionele verwaarlozing door de
ouders of een crisis die in het gezin ontstaat nadat het misbruik is uitgekomen.
De gevolgen zijn ook ernstiger als:
het kind onvoldoende hebben gesteund toen het misbruik bekend werdBij de helft tot tweederde van alle kinderen verminderen de symptomen
aanzienlijk in het eerste anderhalf jaar na het stoppen van het misbruik.
Bij 10 tot 24 procent nemen de symptomen echter toe in die periode.
Kinderen die zijn misbruikt, kunnen daar ook op volwassen leeftijd nog gevolgen
van ondervinden, vooral als er indertijd niet goed op werd gereageerd.
Volwassenen die in hun jeugd als incident te maken kregen met licht misbruik
hebben geen grote kans op latere problemen.
Volwassenen die in hun jeugd ernstig, langdurig misbruikt zijn kunnen klachten
krijgen op vier gebieden:
Seksueel misbruik komt voor in alle milieus, zowel bij de lagere als hogere
sociale klasse, bij mensen van alle kerkelijke gezindten en bij autochtone en
allochtone Nederlanders. Voor zover bekend uit onderzoek zijn plegers vrijwel
altijd mannen. Vrouwen vormen één tot drie procent van alle plegers. Meestal
zijn hun slachtoffers kinderen binnen het gezin, jongens even vaak als meisjes.
De helft tot driekwart van deze vrouwen pleegt het misbruik onder druk van
een (hun) man die er bij aanwezig is. De meeste vrouwelijke plegers zijn zelf in
hun jeugd seksueel misbruikt of verwaarloosd.
In 80 tot 95 procent van alle gevallen gaat het om bekenden van het kind.
De onbekende ‘man in de bosjes’ of ‘kinderlokker’ komt maar zelden voor.
De kinderen zijn doorgaans afhankelijk van de pleger of hebben vertrouwen in
hem: een vader, broer, oom, de vriend van moeder, een tante, huisvriend,
buurman, leraar of jeugdleider. Meisjes blijken vaker door gezins- of familieleden
misbruikt te worden terwijl jongens vaker door mannen buiten de kring
van verwanten worden misbruikt.
Seksueel misbruik wordt het meest gepleegd door bekenden of
familieleden van het kind.
Plegers van seksueel misbruik van kinderen worden wel pedoseksuelen
genoemd. Binnen de groep pedoseksuelen zijn drie typen te onderscheiden
die aanmerkelijk van elkaar verschillen:
Het gaat om volwassen mannen die zich uitsluitend seksueel aangetrokken
voelen tot jongens (of soms meisjes) die nog niet in de puberteit zijn gekomen.
Ze hebben steeds terugkerende seksueel opwindende fantasieën en een intense
seksuele drang gericht op kinderen. Naast de bijzondere seksuele gerichtheid
hebben deze mannen ook in het algemeen een voorkeur voor kinderen: ze gaan
liever om met kinderen dan met volwassenen, die ze als bedreigend ervaren. Ze
‘vallen’ op de kinderlijke gestalte, houden van de belevingswereld van kinderen
en willen het liefst ‘kind met de kinderen’ zijn. Pedofilie wordt gezien als een
gestoorde seksuele gerichtheid die gewoonlijk in de puberteit begint. Over de
oorzaak ervan is weinig met zekerheid te zeggen. Pedofielen gebruiken hun
overredingskracht om kinderen tot seksuele contacten over te halen. Eigenlijk
manipuleren ze hen gewoon. Met deze kinderen hebben ze vaak een langdurige
relatie.
Ze vinden dat seks met kinderen moet kunnen en ze voelen zich er dus niet
schuldig over. Vaak verzamelen ze kinderpornografie, soms maken ze dat zelf
voor eigen gebruik. De relatie met het kind eindigt als het in de puberteit komt:
de geslachtskenmerken die zich dan ontwikkelen, maken het kind
onaantrekkelijk voor de pedofiel. Er zijn pedofielen die geen uiting geven aan
hun seksuele gerichtheid. Zij hebben geen seksuele contacten met kinderen.
Het betreft mannen (soms vrouwen) die weliswaar een seksuele voorkeur
hebben voor een volwassen partner maar die onder invloed van tijdelijke,
ingrijpende gebeurtenissen in hun leven seksuele contacten aangaan met
(eigen) kinderen of afhankelijke jongeren. Hun leven is uit balans doordat ze
bijvoorbeeld een partner moeten missen, huwelijksproblemen hebben of zijn
ontslagen. Met die stress-situaties kunnen ze niet omgaan.
De seksuele contacten zijn een compensatie. Zij zijn zelden eerder veroordeeld
voor seksuele of andere delicten. Hun slachtoffers zijn veel vaker oudere meisjes
dan jongens. Vaak gaat het om incestplegers, bijvoorbeeld (stief )vaders, oudere
broers of ooms of om mannen die door hun beroep vaak in contact komen met
meisjes. Ze manipuleren het slachtoffer (zie hieronder) en wachten geschikte
gelegenheden af voor het misbruik. Soms duren deze situaties jarenlang.
Achteraf schamen ze zich en voelen zich schuldig. In gevallen van incest gaat
het seksueel misbruik soms samen met ander huiselijk geweld: vrouwenmishandeling
en verwaarlozing van de kinderen.
Het gaat om mannen die niet in staat zijn om (duurzame) liefdesrelaties aan te
gaan, zich niet kunnen inleven in de gevoelens van anderen en meestal
gewetenloos zijn. Ze zijn vaak al eerder veroordeeld voor seksuele delicten
jegens vrouwen en voor andere misdrijven. Vaak willen zij met het misbruik
hun boosheid op de maatschappij uitdrukken of wraak nemen op een vrouw
die hen heeft verlaten of op alle vrouwen. Ze hebben geen seksuele voorkeur
voor kinderen maar misbruiken ze omdat ze een gemakkelijke prooi vormen.
Ze zoeken een onbekend slachtoffer, misbruiken het eenmaal en gebruiken bij
weerstand veel dwang en geweld. Psychopaten, de extreemste plegers, gaan
over tot ernstige wreedheden of doden het kind.
De recente maatschappelijke verontwaardiging over plegers van seksueel
misbruik is vooral ontstaan na een aantal ernstige misbruikzaken met doding
van een kind die door deze daders zijn gepleegd. Dat type dader komt gelukkig
heel weinig voor.
Het komt vaak voor dat plegers kenmerken bezitten van meerdere typen.
Totnogtoe is er geen biologische oorzaak gevonden voor de neiging om kinderen
seksueel te misbruiken. Wel wordt vaak geconstateerd dat zij in hun jeugd in de
steek zijn gelaten, een gebrek aan warmte hebben ervaren in het gezin,
mishandeld zijn door ouders en zich nooit veilig hebben gevoeld. 40 tot 50
procent van alle plegers is zelf in de jeugd seksueel misbruikt. Later durven zij
dan ook geen hechte relaties aan te gaan of blijven zij emotioneel eenzaam,
ook al hebben zij een partner.
Plegers bereiden het seksueel misbruik op subtiele wijze voor. Kinderen zijn
volgens pedofiele plegers het meest kwetsbaar voor misbruik als ze zich ergens
alleen ophouden, nieuwsgierig en goedgelovig zijn, problemen in het gezin
hebben, weinig zelfvertrouwen en assertiviteit bezitten, knap zijn en ‘uitdagend’
gekleed. Misbruikers van kinderen buiten het gezin zoeken contact met hun
slachtoffers bij scholen, speelplaatsen, amusementsparken, winkelcentra,
sportvelden, strand en zwembaden. Zij proberen het kind afhankelijk van hen
te maken. Later zorgen ze ervoor welkom te zijn bij het kind thuis.
Plegers hanteren speciale strategieën om het kind en zijn ouders te benaderen.
Ze bieden het kind aan samen computerspelletjes te spelen. Ze geven het
cadeautjes, nemen het mee uit of bieden het een lift aan naar huis. Ze vleien
het kind door het aandacht en genegenheid te geven of ze bouwen een
vertrouwensrelatie op met de ouders om zo oppas te kunnen worden. Zo winnen
ze ook het vertrouwen van het kind.
Het misbruik begint vaak met het betasten of kussen van de geslachtsdelen.
Daders voeren daarna heel voorzichtig en subtiel de aanrakingen op en testen
op die manier de reactie van het kind op seks. Dwang komt bij vier op de tien
meisjes voor en bij twee op de tien jongens. Daders praten het kind soms
geleidelijk naar seksuele activiteiten toe of vragen het kind hen ‘ergens mee te
helpen’, bijvoorbeeld met uitkleden. Soms proberen daders kinderen meegaand
te krijgen door ze om te kopen, ‘toevallige’ aanrakingen als truc te gebruiken, te
praten over seks of naar porno te kijken. Plegers die als oppas fungeren, beginnen
met praten over seks, bieden het kind aan samen in bad te gaan of manipuleren
het door voor te wenden dat ze met seks het kind willen voorlichten of hun liefde
willen tonen. Als het kind niet wil of angstig is, houden de meeste daders op en
proberen het kind later opnieuw te overreden. Bij de seksuele contacten die
uiteindelijk lukken, gaat het vaak om streling en wederzijdse masturbatie. Bij
ongeveer veertig procent van de kinderen of jongeren is sprake van (poging tot)
penetratie of orale seks.
De meerderheid van de misbruikers houdt de contacten met een kind in stand
door een combinatie van methoden: ze bieden het kind vriendschap, ze drukken
het kind op het hart er niet met anderen over te praten, ze stellen het misbruik
voor als spel of voorlichting, ze dreigen zich van het kind af te keren als het erover
praat of ze zeggen dat het kind medeplichtig is aan het misbruik. Een kleine
minderheid van de mannen misbruikt een kind één keer om daarna een ander
kind te zoeken. De meeste plegers blijken tijdens het misbruik bang te zijn dat
hun gedrag uitkomt. Ondanks die angst gaat de helft van hen gewoon door.
Minderjarige verdachten zijn bijna altijd jongens. Als meisjes dader zijn, worden
ze meestal verdacht van medeplichtigheid aan het gedrag van jongens.
Deskundigen maken onderscheid tussen minderjarige jongens die leeftijdgenoten
aanranden en jongens die kleine kinderen misbruiken.
Minderjarigen die leeftijdsgenoten aanranden, komen vaak uit probleemgezinnen
en hebben te maken gehad met mishandeling, gebrekkig ouderlijk
toezicht en emotionele verwaarlozing. De frustraties, boosheid en onlustgevoelens
die daaruit voortvloeien leiden tot antisociaal gedrag zoals zedendelicten.
Vaak worden die in groepsverband gepleegd. Maar ook temperament,
aangeboren eigenschappen en culturele verschillen spelen een rol in het
ontstaan van antisociaal (seksueel) gedrag. Ze beginnen hun ‘criminele’ carrière
vaak als basisscholier met pesten en kleine winkeldiefstallen. In hun puberteit
vechten ze met andere jongens en vallen meisjes van dezelfde leeftijd seksueel
lastig. Ze komen in aanraking met de kinderrechter vanwege vermogens-,
gewelds- en zedendelicten. Als niet wordt ingegrepen, zet dat gedrag zich op
volwassen leeftijd voort.
Misbruikers van kleine kinderen zijn vaak ernstig gestoord in hun seksuele
ontwikkeling. Zij hebben als kind geen band opgebouwd met hun ouders en
missen de sociale vaardigheden om persoonlijke, intieme relaties aan te gaan
met leeftijdgenoten. Het zijn sociaal geïsoleerde jongens die daarom hun toevlucht
zoeken tot contacten met kleine kinderen. Dan kunnen ze gemakkelijk
de baas spelen, voelen ze zich veilig en worden ze niet afgewezen. Pas na enige
tijd gaan ze experimenteren met seksuele handelingen. Zij maken zich niet of
nauwelijks schuldig aan andere delicten. Bij een deel van deze jongens openbaart
zich op die leeftijd een pedofiele oriëntatie. In hun kindertijd hebben zij
soms seksueel misbruikervaringen meegemaakt.
Zedenvandalisten, die af en toe lichte seksuele grensoverschrijdingen plegen
jegens leeftijdgenoten, moeten niet als zedendelinquenten worden
beschouwd. Ze plagen meisjes, trekken zwembroekjes omlaag in het recreatiebad
en proberen borsten en billen aan te raken. Ze doen dat vooral in groepsverband.
Meisjes ervaren dit als irritant, maar ondervinden er verder geen
nadelige gevolgen van. Het machogedrag van de jongens hoort bij de
experimenteerfase op weg naar de volwassenheid. De kans op herhaling is
gering na een berisping door volwassenen of de politie. (Strafrechtelijk) ingrijpen op
jeugdige leeftijd bij ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag voorkomt erger.
Ook bij seksuele verkenningen tussen kinderen van min of meer gelijke leeftijd
is het woord ‘misbruik’ niet op zijn plaats. Door ouders en leerkrachten wordt
weleens overgereageerd op aanwijzingen van seksspelletjes. De schade
die ontstaat door de vaak heftige en aanhoudende reacties van volwassenen is
vaak groter dan die van de gebeurtenis zelf.
Kinderrechters vinden over het algemeen dat jeugdige daders behandeld moeten
worden; uitsluitend straffen helpt niet. Ondersteuning van de ouders bij de
opvoeding kan helpen herhaling te voorkomen. Hierbij hebben ook de Raad
voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering een taak. Jonge zedendelinquenten
kunnen bijvoorbeeld een ‘Taakstraf Seksualiteit’ krijgen bij de
Rutgers-Nisso Groep, een ambulante behandeling bij een hulpverleningsinstelling
of een veroordeling tot een Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen
(PIJ). Vroeger heette dit laatste jeugd-tbs. Veel jeugdige zedendelinquenten
krijgen echter alleen maar een gevangenisstraf (jeugddetentie) of een geldboete
en worden daardoor niet met hun eigen gedrag geconfronteerd. Dat kan
negatieve gevolgen hebben. Een kwart van de volwassen plegers is al op jonge
leeftijd begonnen met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Vroegtijdig ingrijpen
is nodig om later erger te voorkomen.
B Signaleren en voorkómen van seksueel misbruik
Kinderen zwijgen vaak over seksueel misbruik. Ze schamen zich, voelen zich
schuldig of zijn bang dat de pleger en zijzelf het nog moeilijker krijgen als het
misbruik naar buiten komt. Meestal krijgen ouders argwaan door terloopse
opmerkingen van het kind dat er iemand aan hem of haar heeft gezeten of door
blauwe plekken en klachten rond vagina, penis en anus. De meest betrouwbare
signalen zijn letsel rondom de genitale streken – maar gebruik van geweld komt
weinig voor – en een geloofwaardig verhaal van het kind.
Het verhaal van een kind wordt geloofwaardiger als het een duidelijk verhaal
vertelt over ‘wat’, ‘wanneer’ en ‘waar’ het gebeurde, met ‘wie’ het was en ‘hoe’
hij het kind overhaalde. Als het kind steeds hetzelfde verhaal vertelt, daarbij
iedere keer overstuur raakt en als het zegt dat het geheim moet blijven, dan zijn
dat aanwijzingen voor een geloofwaardig verhaal. Er bestaan wel lijstjes met
klachten, symptomen en opvallende gedragingen van kinderen die kunnen
wijzen op misbruik. Maar die signalen zijn niet specifiek voor seksueel misbruik
en kunnen ook het gevolg zijn van andere problemen van het kind, zoals
echtscheiding van de ouders, het overlijden van een familielid, klasgenootje of
huisdier of problemen op school. Hieronder staat zo’n lijstje.
Kinderen die seksueel misbruikt zijn geven daarover lichamelijk
en geestelijk signalen af. Elk signaal op zich betekent niet dat het kind
misbruikt is maar bij meerdere signalen moeten ouders en andere opvoeders vragen
stellen aan het kind of advies vragen aan een hulpverlener. Het gaat hier om
plotselinge gedragsveranderingen van jonge kinderen tot ongeveer tien jaar.
Eerst beschrijven we normale gedragingen van kinderen die niet duiden op
misbruik.
Peuters en kleuters (twee tot vijf jaar) zijn nieuwsgierig naar hun eigen lichaam
en vooral naar dat van anderen. Ze spelen met hun geslachtsdelen en zijn
gefascineerd door bloot, kijken en bekeken worden. Ze vinden het heerlijk om
overal – en ook dáár – gestreeld te worden. Dit is de tijd voor stereotype seksspelletjes:
doktertje spelen (uitkleden), vadertje en moedertje spelen. Ook
‘vieze’ woorden (poep, pies, pik, kut) zijn leuk.
Basisschoolkinderen (zes tot twaalf ) experimenteren ook met seks en met hun lichaam
maar meer in het verborgene. Ze gaan zich schamen. De meeste jongens en meisjes masturberen
voor het twaalfde jaar, dat wil zeggen dat ze hun eigen geslachtsdelen aanraken
en strelen. De helft van alle kinderen doet vóór het twaalfde jaar seksuele
spelletjes met een ander kind. Het gaat daarbij om doktertje spelen, elkaars
genitaliën bekijken of betasten, ‘vrijen’, of ‘vrijen nadoen’. Deze spelletjes worden
meestal positief of neutraal beleefd. Ouders reageren echter meestal afkeurend
of verontrust voorzover ze ervan op de hoogte zijn.
In het begin van de puberteit (elf tot dertien) spelen bij jongeren vooral de
lichaamsveranderingen een rol. Het overgrote deel van de jongeren heeft op
deze leeftijd seksuele fantasieën, jongens meer dan meisjes. Meisjes masturberen
minder vaak en minder meisjes hebben ervaring met tongzoenen en strelen
dan jongens.
Pas later, rond veertien, vijftien jaar, zoeken jongens en meisjes
persoonlijker contact met elkaar. Een op de drie zestienjarigen heeft ervaring
met geslachtsgemeenschap. Vlak voor hun achttiende verjaardag heeft ongeveer
de helft van de jongeren hun eerste geslachtsgemeenschap. Een klein deel van
de jongeren geeft te kennen dat zij homoseksuele verlangens hebben of heeft
al eens met een seksegenoot gevreeën.
De hier beschreven seksuele uitingen zijn normaal en duiden niet op seksueel
misbruik. Alleen seksueel gedrag dat in het geheel niet past bij het ontwikkelingsstadium
van het kind, kan een aanwijzing zijn dat er misbruik in het spel is.
Voorbeelden hiervan zijn: niet bij de leeftijd passend ‘seksueel’ spel,
dwangmatig seksueel gedrag, extreem veel masturberen, erg vaak tonen van
geslachtsdelen, bij herhaling praten over seks, niet bij de leeftijd passende
kennis over seks en seks in tekeningen.
Nee, verreweg de meeste kinderen kunnen betrouwbaar vertellen wat hun is
overkomen, als ze de goede vragen krijgen. Neem ze dus serieus. Onder bepaalde
omstandigheden vertellen kinderen echter verhalen over seksueel misbruik
die niet of slechts voor een deel kloppen. Dat kan het gevolg zijn van:
Neem verhalen van kinderen over seksueel gedrag serieus.
Allereerst kan de huisarts, de psycholoog of de pedagoog nagaan of het kind
schade heeft ondervonden. Bij eenmalige, lichte misbruikervaringen is geen
sprake van lichamelijke en emotionele schade en hoeven ouders niet ongerust
te zijn. Bij ernstig misbruik praat bijvoorbeeld een hulpverleenster van het
Bureau Jeugdzorg of de RIAGG met het kind over de misbruikervaringen en
over de angsten, onzekerheden, verwarring en eventuele schuld die het kind
daarbij – uiteraard onterecht – voelt. Het uiten van die gevoelens onder
deskundige begeleiding kan helpen bij het verwerken van de ervaringen en de
schade beperken. Uiteraard betrekt de hulpverlener een of beide ouders bij de
behandeling en adviseert hoe deze het beste kan omgaan met het kind. Het
kind moet weer vertrouwen in volwassenen krijgen.
Bij misbruik door de vader krijgen naast het kind vaak beide ouders hulp. De
moeder krijgt steun omdat ze zich in een moeilijke positie bevindt: ze wil haar
dochter steunen maar haar man misschien niet kwijt. De vader kan door de
rechter een behandeling opgelegd krijgen. Tijdens die behandeling leert hij om
openlijk de volle verantwoording voor het misbruik op zich te nemen. Dat is
zeer belangrijk voor het verwerkingsproces van het kind.
Seksuele vorming en voorlichting kunnen het beste thuis én op school gegeven
worden. Dit kan misbruik helpen voorkomen. Door goede informatie over
seksualiteit en seksueel misbruik zal een kind hopelijk eerder een misbruiksituatie
herkennen en inschatten. De toegenomen aandacht voor seksueel
misbruik heeft het voorlichtingsverhaal van ouders en leerkrachten sterk
beïnvloed: zij leren kinderen om ‘nee’ te zeggen tegen ongewenst (seksueel)
contact. Maar een al te eenzijdige nadruk op de negatieve en gevaarlijke kanten
van seks draagt niet bij aan een gezonde, positieve seksuele ontwikkeling.
Natuurlijk is het goed dat kinderen en jongeren leren om in seksueel contact de
grenzen van zichzelf en anderen te respecteren.
Leer jonge kinderen regels over seksueel gedrag.
Het is ook belangrijk dat kinderen eigen keuzes leren maken op seksueel
gebied. Je kunt met hen praten over relaties en seks in het algemeen en de
prettige kanten van lichamelijkheid en intimiteit. Kinderen mogen immers ook
‘ja’ zeggen tegen de dingen die ze zelf lekker en spannend vinden. Zo zullen ze
hun eigen verlangens en gedrag op seksueel gebied als normaal en vanzelfsprekend
leren accepteren.
Leer kinderen die nog te jong zijn voor uitgebreide voorlichting een paar
gedragsregels: “Als iemand je aanraakt waar jij dat niet wilt, moet je echt
gewoon ‘nee’ zeggen en weglopen. Je kunt dan het beste iemand om hulp vragen.”
“Er zijn maar een paar mensen die je bloot mogen aanraken.” “Eerst thuis
vertellen waar je naar toe gaat.” “Als je er niet over praat, kan niemand je helpen.”
Leer kinderen dat ze nooit iets geheim hoeven te houden als ze daar in de war
of verdrietig van raken. Leer kinderen ook de meest gangbare woorden voor
geslachtsdelen, anders kunnen ze – indien nodig – niet onder woorden brengen
wat ze hebben meegemaakt. Ouders zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het
beschermen van hun kinderen en het melden van misbruik.
C Aanpak van plegers van seksueel misbruik
Slachtoffers doen heel vaak geen aangifte van seksueel misbruik. Ze worden
daarvan weerhouden omdat ze zich schamen, bang zijn voor bedreigingen,
een band hebben met de dader of omdat hun ervaringen niet zo ernstig zijn.
Voor een kind kan een aangifte belangrijk zijn omdat daarmee duidelijk wordt
dat het niets fout heeft gedaan, dat de dader de enige schuldige is en er maatregelen
worden genomen om herhaling te voorkomen. Gevoelens van wraak
en boosheid van een ouder zouden echter bij een aangifte nooit de overhand
mogen hebben want dat is niet in het belang van het kind.
Een aangifte kan echter ook nadelen hebben. Een kind moet verhoord worden
door de zedenpolitie en hoewel zo’n verhoor zorgvuldig en ‘kindvriendelijk’
wordt afgenomen, is het belastend om tegen een vreemde te moeten vertellen
over het misbruik, zeker als de dader iemand is op wie het kind gesteld is: een
vader, oom of oudste broer. De hele rechtsgang is tijdrovend en de uitkomst
onzeker. Het is vaak lastig voor de politie en de officier van justitie om het
bewijs rond te krijgen want het is het woord van de verdachte tegen dat van het
slachtoffer en er is vrijwel nooit een getuige bij het misbruik aanwezig geweest.
Als er te weinig bewijs is, zal de officier van justitie van vervolging afzien of
wordt de verdachte door de rechtbank vrijgesproken. Dat is teleurstellend voor
het slachtoffer en de ouder(
. Als ouders twijfelen of ze aangifte moeten doen,
kunnen ze zich laten adviseren door de zedenpolitie of een AMK (Advies- en
Meldpunt Kindermishandeling; zie rubriek Waar hulp en informatie?). Een
gesprek met de zedenpolitie betekent niet dat ouders de zaak uit handen
geven. Aangifte is daarna niet verplicht.
Met de zedenpolitie of het AMK kan ook worden gesproken over hulp,
begeleiding en behandeling en over de manier waarop het slachtoffer materiële
en immateriële schade van de dader vergoed kan krijgen.
Als de officier van justitie het misbruik niet zo ernstig vindt of onvoldoende
bewijs heeft, kan hij de zaak seponeren, dat wil zeggen: de verdachte niet verder
vervolgen. Bij ernstige feiten legt de rechtbank een boete, een taakstraf of een
gevangenisstraf op. De gemiddelde duur van de gevangenisstraf is, na een forse
toename tussen 1985 en 1995, nadien in totaal vrij constant gebleven, te weten
ongeveer 530 dagen. De duur van straffen voor incest/ ontucht met kinderen
‘onder gezagsverhouding’ is sinds 1994 fors toegenomen, namelijk van
367 dagen naar 583 dagen, terwijl de gemiddelde duur van gevangenisstraf
voor overige zedendelicten met minderjarigen afnam.
Soms legt de rechter een voorwaardelijke gevangenisstraf op, maar verbindt
daar een voorwaarde aan, bijvoorbeeld een contactverbod, een psychotherapeutische
behandeling of begeleiding door de reclassering. Bij zeer ernstige
vormen van misbruik waar een straf van minimaal vier jaar voor staat, kan de
rechter tbs (terbeschikkingstelling) opleggen. Dat doet hij als blijkt dat de pleger
vanwege een psychische stoornis niet of verminderd toerekeningsvatbaar was
en als de kans op herhaling groot is. Tbs houdt in dat de dader wordt behandeld
in een beveiligde psychiatrische (tbs)kliniek net zo lang totdat hij weer veilig in
de samenleving kan terugkeren. Het gaat meestal om pedoseksuelen met een
persoonlijkheidsstoornis. Als de behandeling aanslaat zal de dader zijn vrijheid
stukje bij beetje terugkrijgen: eerst wandelverlof dan weekendverlof, later
proefverlof en uiteindelijk voorwaardelijk en definitief ontslag. Berucht zijn de
berichten over terbeschikkinggestelden die tijdens hun proefverlof weer een
ernstig misdrijf pleegden. Het zijn uitzonderingsgevallen maar dat risico valt
niet geheel uit te sluiten. De terbeschikkinggestelden moeten immers, indien
verantwoord, weer worden voorbereid op de terugkeer in de maatschappij. De
meesten plegen na hun vrijlating niet opnieuw seksuele delicten.
Veel mensen denken dat de daders van seksueel misbruik na hun straf vrijwel
altijd en meteen terugvallen in hun oude fout. Dat is niet waar. Nederlandse
cijfers over de recidive ontbreken, maar uit buitenlandse onderzoeken kan
worden afgeleid hoe vaak daders die niet worden behandeld hun oude gedrag
weer oppakken:
Binnen vijf jaar na detentie valt vier procent van de incestplegers terug in de oude
fout. Van de pedoseksuelen, gericht op meisjes buiten het gezin, recidiveert
dertien procent en van de pedoseksuelen die jongens buiten het gezin misbruiken
21 procent. Vijftien jaar na de detentie zijn die recidivepercentages verdubbeld.
De percentages geven een ondergrens aan, omdat lang niet al het misbruik bij de
politie wordt aangegeven. Plegers recidiveren eerder en vaker als ze:
Hoe meer van deze kenmerken een pleger bezit, hoe groter de kans op recidive.
Plegers van seksueel misbruik recidiveren na gevangenisstraf
minder dan over het algemeen wordt gedacht.
De samenleving heeft er belang bij dat de pleger niet meer terugvalt in zijn
oude fout. Gevangenisstraf helpt daarbij, zo lang als die duurt. Maar hoe lang
de straf ook is, eens komt de pleger vrij en vormt dan weer een risico voor de
samenleving. Daarom is behandeling tijdens of na de detentie of in plaats van
detentie zinvol als daardoor terugval wordt voorkomen of de kans erop wordt
verkleind. Probleem is echter dat veel plegers van seksueel misbruik hun
misdrijf ontkennen of minder ernstig voorstellen, zodat ze weinig trek hebben
in een behandeling. Veel van hen hebben een duwtje in de rug nodig om in
behandeling te gaan. Wanneer deze mannen worden opgepakt, kan de rechter
dat duwtje geven. Daarvoor bestaan een aantal wettelijke mogelijkheden. Zo
kan de man de keuze worden voorgelegd om een ambulante behandeling te
volgen in ruil voor een (gedeeltelijke) voorwaardelijke veroordeling.
Daderbehandeling houdt in dat iemand zich laat behandelen door bijvoorbeeld
een psycholoog of een psychiater.
Daderbehandeling is voor een slachtoffer zeer belangrijk, vooral als de pleger
een bekende is en na een eventueel uitgezeten straf weer terugkomt in het
gezin of de kennissenkring van het slachtoffer. Van veel incestslachtoffers
hoeft de dader niet zo nodig gestraft te worden, zolang het misbruik maar
ophoudt. Ze houden ook meestal van hun vader, oudere broer of oom en zitten
niet te wachten op gevangenisstraf voor een familielid. In die gevallen zou een
daderbehandeling heel zinvol kunnen zijn. Maar hoe is de praktijk? Nu wordt
slechts eenderde van alle daders behandeld: 30 procent van de veroordeelden
krijgt een ambulante daderbehandeling, 5 procent wordt binnen een tbsinrichting
behandeld. De resterende 65 procent krijgt een gevangenisstraf of
een andere straf opgelegd zonder te worden behandeld.
Dat laatste gaat veranderen: binnenkort kunnen in een aantal gevangenissen
misbruikplegers worden behandeld.
Daderbehandeling is essentieel bij plegers van seksueel misbruik
en is ook voor slachtoffers zeer belangrijk.
Zedendelinquenten die zich van de rechter moeten laten behandelen, kunnen
terecht bij poliklinieken van tbs-instellingen, sommige reclasseringsinstellingen,
enkele RIAGG’s en een paar andere instellingen.
Volledige ‘genezing’ van pedofilie is echter meestal niet haalbaar: vaak blijft
het verlangen naar seks met kinderen bestaan.
Tijdens de behandeling leren ze herhaling te voorkómen door controle over het
eigen gedrag aan te leren. Daarom wordt deze behandeling terugvalpreventietraining
genoemd. Besproken wordt hoe ze risicovolle situaties kunnen
herkennen die voorheen tot misbruik leidden, wat voor smoezen en goedpraterij
ze gebruikten voor het misbruik en hoe ze voortaan moeten reageren
op stress en tegenslag. Ze leren zich in te leven in het slachtoffer en de
verantwoordelijkheid voor het misbruik op zich te nemen. Ook de risicofactoren
die kenmerkend zijn voor een bepaalde pleger worden doorgenomen: zijn
seksuele voorliefde voor kinderen, zijn onvermogen om een relatie met een
volwassene aan te gaan of het ontbreken van innerlijke remmingen om seksueel
contact met kinderen te hebben. De behandeling duurt meestal tussen de zes
maanden en een jaar. In die tijd wordt twintig tot veertig keer met de dader
gesproken. Uit ervaring is gebleken dat veel mannen vroegtijdig met de
behandeling stoppen als ze daartoe niet verplicht worden. Daarom is er een
stok achter de deur: wie voorwaardelijk is veroordeeld en voortijdig met de
behandeling stopt, moet alsnog zijn straf uitzitten. In geval van incest worden
in het ideale geval de dader (vader), het slachtoffer en de moeder apart
behandeld. Als de behandeling van de dader aanslaat, kan hij met zijn vrouw
en zijn kind worden geconfronteerd. Als dat mogelijk en gewenst is, kunnen ze
met elkaar worden verzoend. Buitenlands onderzoek toont aan dat een
behandeling het aantal mannen dat weer terugvalt verlaagt. Het effect van de
behandeling is het grootst bij incestplegers, minder groot bij pedofielen en
kleiner bij antisociale plegers.
Ruim een kwart van alle ex-terbeschikkinggestelde zedendelinquenten pleegt
binnen vijf jaar na de behandeling opnieuw een seksueel delict. Bij elf procent
gaat het om een ernstig seksueel delict, waarvoor een straf langer dan zes
maanden wordt opgelegd. De recidivepercentages voor seksueel geweld tegen
kinderen zijn echter zeer klein, zelfs 0% bij de groep waarvan de tbs is beëindigd
in de jaren 1989 - 1993. Ook hier geldt dat de percentages in werkelijkheid
hoger zullen zijn omdat lang niet alle delicten worden aangegeven of omdat de
dader onbekend blijft.
Behandeling kan het recidivepercentage aanzienlijk verlagen.
Ongeveer twintig terbeschikkinggestelde zedendelinquenten zitten levenslang
vast in een tbs-kliniek omdat hun agressieve seksuele gedrag volgens
behandelaars onveranderlijk is en zij een hoog recidivegevaar vormen.
Helpt ‘chemische castratie’? Er zijn hormonen en medicijnen die de seksuele
fantasieën kunnen verminderen. Het toedienen van deze geneesmiddelen
wordt chemische castratie genoemd. Lustremmende medicatie is slechts zinvol
bij een klein deel van de plegers van seksueel misbruik van kinderen. Het gaat
dan om pedofiele mannen die geobsedeerd zijn door seks met kinderen en
daar last van hebben. De medicatie dempt hun allesoverheersende fantasieën
en maakt hen beter toegankelijk voor de behandeling. Chemische castratie
pakt echter de achterliggende oorzaken van het misbruik niet aan; de medicijnen
vormen dus slechts een hulpmiddel bij de behandeling. Voor de meeste pedoseksuele
plegers is chemische castratie ongeschikt: zij vervallen niet in hun
oude fout omdat ze afwijkende seksuele fantasieën hebben maar vooral omdat
hun leven opnieuw uit balans raakt en ze niet weten hoe ze daarmee moeten
omgaan.
Seksueel misbruik van kinderen maakt bij de betrokken ouders en buurtbewoners
sterke emoties los. De boosheid van sommigen richt zich op de pleger
en de overheid die – naar hun mening – de kinderen onvoldoende bescherming
biedt tegen herhaling. Deze burgers hebben hun vertrouwen in de effectiviteit
van justitie en reclassering verloren. Ze nemen daarom het recht in eigen handen
door mensen die veroordeeld zijn voor seksueel misbruik van kinderen, of die
daarvan worden verdacht, op hardhandige wijze duidelijk te maken dat de
buurt hen liever kwijt dan rijk is. Het maakt veel buurtbewoners daarbij niet uit
of het om seksueel getinte aanrakingen ging of om een brute verkrachting:
“ze moeten van onze kinderen afblijven.”
De reacties van het publiek, soms gevoed door diverse media, staan lang niet
altijd in verhouding tot de mate waarin de belangen van het kind zijn geschaad.
Volkswoede tegen plegers – hoe begrijpelijk ook – werkt
averechts en verhoogt juist de kans op recidive.
Sinds 1996 zijn 26 gevallen van eigenrichting geregistreerd. Het gaat om vernieling
van de woning of de auto of mishandeling van de pleger of verdachte.
Er zijn daarbij twee doden gevallen. De huidige volkswoede tegen plegers van
seksueel misbruik – hoe begrijpelijk die ook is – werkt averechts en leidt juist
niet tot het verminderen van herhaling. Als iets recidive in de hand werkt dan is
het wel de massale afkeer die pedoseksuelen momenteel ten deel valt.
Daardoor raken plegers in een isolement, waardoor hun gedrag vaak alleen
maar extremer wordt.
Voorkomen moet worden dat slachtoffers onverhoeds met ‘hun’ dader worden
geconfronteerd. Daarom worden slachtoffers of hun ouders door het openbaar
ministerie geïnformeerd wanneer de dader van een ernstig pedoseksueel
delict met proefverlof gaat of in vrijheid wordt gesteld. Die informatie wordt
alleen verstrekt als het slachtoffer daarom heeft gevraagd. Ook bij de politie is
bekend wanneer een pedoseksuele dader weer vrijkomt. Als dat nodig is,
bijvoorbeeld omdat onrust in de buurt wordt verwacht, stelt het openbaar
ministerie de burgemeester in kennis van de vrijlating.
Deze informatie wordt alleen verstrekt over daders van ernstige pedoseksuele
en gewelddadige delicten. Men gaat ervan uit dat een gestrafte die weet dat de
politie op de hoogte is van zijn vrijlating, minder snel in herhaling zal vervallen.
Het openbaar ministerie en het Buro Slachtofferhulp zijn beschikbaar om vragen
van het slachtoffer of de ouders te beantwoorden en hulp te bieden. In 2000
openden in veel arrondissementen politie en het openbaar ministerie een
gezamenlijk loket, waar slachtoffers informatie kunnen krijgen over het verloop
van een strafzaak. Als politie, gemeente, hulpverlening en reclassering contact
houden met elkaar, met de ex-gedetineerde en met de ouders van de slachtoffers,
zullen buurtbewoners waarschijnlijk veel minder snel tot eigenrichting
overgaan.
Bakker, Hilde. Voorzichtig met angst. Over seksueel misbruik van kinderen.
Utrecht: Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn/NIZW, 2002, 2e dr. 56 pag.
ISBN: 9050508510, A 6,-. Verkrijgbaar bij NIZW Uitgeverij, telefoon 030 -2306607.
Voorlichting gericht op volwassenen die dagelijks met kinderen te maken
hebben, zoals leerkrachten, sportdocenten of begeleiders van kinderclubs.
Commissie Seksueel Misbruik Jeugdigen. Handelen bij vermoeden van seksueel
misbruik van kinderen en jeugdigen. Assen: Van Gorcum/Dekker & Van de
Vegt, 1994. Verkrijgbaar via boekhandel. Richtlijnen over het handelen bij (het
vermoeden) van seksueel misbruik met onder meer belangrijke instanties,
voor zowel opvang als contactpunten jeugdigen.
Delfos, M. Dat nare gevoel: seksuele voorlichting over seksueel misbruik.
Bussum: Trude van Waarden Produkties, 1999. 34 pag. ISBN: 9075564260, A 8,50.
Verkrijgbaar via de boekhandel. Voorlichting over seksueel misbruik gericht op
meisjes en jongens uit de bovenbouw van de basisschool en aan het begin van
de middelbare school. Achterin is informatie opgenomen die meer gericht is
op volwassenen.
Delfos, M. Blijf van me af! Over seksueel misbruik bij meisjes. Bussum: Trude
van Waarden Produkties, 1999. ISBN 9063861133, A 11,50 en Blijf van me af!
Over seksueel misbruik bij jongens. Bussum: Trude van Waarden Produkties,
1996. ISBN 9063861141, A 11,50. Voor kinderen van 6 - 10 jaar. Verkrijgbaar via
de boekhandel.
Doef, S. van der. Kleine mensen, grote gevoelens: kinderen en hun seksualiteit.
Amsterdam: Ploegsma, 1994. 95 pag. ISBN: 9021671611, A 13,50. Verkrijgbaar
via de boekhandel. Geschreven in samenwerking met de Rutgers Stichting. Per leeftijdscategorie
wordt de seksuele ontwikkeling beschreven. Er wordt verteld wat je als opvoeder
kunt verwachten en hoe je er het beste mee om kunt gaan.
Moerings, M. van en B. Swier. Recht rond zedendelicten. Handboek voor de
(juridische) hulpverlening. Alphen aan den Rijn: Samsom, 1997. 368 pag.
ISBN: 9042201703, A 26,85.
Verkrijgbaar via de boekhandel. Dit boek geeft antwoord op juridische vragen
waar (hulpverleners van) slachtoffers van zedendelicten tegen aanlopen. Het
boek is voor niet-juridisch geschoolden heel toegankelijk geschreven.
Dit zijn centrale instanties waar kindermishandeling kan worden gemeld of advies kan worden ingewonnen.
Er zijn veertien regionale kantoren. Zoek voor de adressen in het telefoonboek
onder: Noord-Holland: Alkmaar, Amsterdam; Friesland: Leeuwarden;
Groningen: Groningen; Drenthe: Assen; Overijssel: Almelo; Gelderland: Arnhem;
Flevoland: Lelystad; Utrecht: Utrecht; West- en Midden-Brabant: Breda;
Oost-Brabant: Helmond; Zuid-Holland en Zeeland: Rotterdam; Limburg Zuid:
Maastricht; Noord- en Midden-Limburg: Venlo.
Of bel het Infocentrum Kindermishandeling van het Nederlands Instituut voor
Zorg en Welzijn (NIZW): telefoon 030-2306560. Ook voor adressen en
telefoonnummers van de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling.
De Bureaus Jeugd- en Zedenpolitie van de regiopolitie. Zie telefoonboek voor
adres en telefoonnummer in uw regio.
De nieuwe Bureaus Jeugdzorg hebben verschillende vormen van jeugdhulpverlening
in huis: de geestelijke gezondheidszorgvoor jeugdigen (jeugd-GGZ),
de zorg voor jeugdige licht verstandelijk gehandicapten (jeugd-LVG) en de
jeugdbescherming (gezinsvoogdij en jeugdreclassering). Per provincie is er
één Bureau Jeugdzorg. De RIAGG’s (Regionale Instelling voor Ambulante
Geestelijke Gezondheidszorg) hebben een afdeling jeugdhulpverlening, die
ook in sommige Bureaus Jeugdzorg deelneemt.
Bij de Stichting Ambulante Fiom (individuele hulpverlening en preventie van
seksueel geweld): telefoon 073-6128821 zijn de adressen van de lokale vestigingen
van de Fiom verkrijgbaar.
Met ingang van januari 2002 is de Rutgers Stichting ondergebracht in de
Rutgers-Nisso Groep. De Rutgers-Nisso Groep voert onder meer de Taakstraffen
Seksualiteit uit voor jeugdige seksuele delinquenten, maar biedt zelf geen
medisch-seksuologische hulpverlening zoals die werd geboden in de Rutgers
Huizen.
Deze hulpverlening wordt aangeboden in Rutgers huizen/Centra voor geboorteregeling
en seksualiteit in Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Eindhoven, Goes,
Groningen, Utrecht en Rotterdam.
Tekst: Prof.Dr.J. Frenken
Rutgers-Nisso Groep, Postbus 9022, 3506 GA Utrecht
De titels van de wetenschappelijke publicaties waarop deze brochure is
gebaseerd, zijn te vinden op de Internetsite: www.rutgersnisso.nl of verkrijgbaar
bij het Informatie- en Documentatiecentrum van de Rutgers-Nisso Groep,
Oudenoord 1176-1768, 3513 EV Utrecht
telefoon: 030-2313431; fax: 030-2319387; e-mail: rng@rng.nl
Cijfers in deze brochure zijn afkomstig van: WODC/OMDATA
Dank aan de collega’s uit verschillende beroepsgroepen die informatie aandroegen
en verbeteringen van de tekst voorstelden.
Voor algemene informatie en het aanvragen van brochures:
Telefoon 0800-8051 (gratis)
Openingstijden: maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 21.00 uur
Internet: www.postbus51.nl
E-mail: vragen@postbus51.nl
Directie Voorlichting
Afdeling in- en externe communicatie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Telefoon 070-3706850
Openingstijden: maandag t/m vrijdag van 09.00 tot 17.00 uur
Internet: www.justitie.nl
E-mail: voorlichting@minjus.nl
Uitgave: Ministerie van Justitie, Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie.
Gewijzigde herdruk, augustus 2003.
*zucht*! Weer meer van hetzelfde! *zucht*!
Credo: wees pedo en be a happy one!
Groet
Peter
Ik kom in geen van de stukken enig onderscheid tegen tussen misbruik en mishandeling.
Misbruik lijkt mij het gebruik maken van de omstandigheden zoals deze zich voordoen: vaak onverwacht, onbedoeld, maar wel aanwezig; en dan gebeurt het... Schade (fysiek, emotioneel,...) komt niet voor, althans niet als gevolg van de sexuele relatie of sexueel geworden relatie. Veel traumatischer wordt de taboesfeer waarin alles gehouden moet gaan worden. Spreken over deze (positieve) ervaringen met ouders, leerkrachten etc wordt onmogelijk zonder een zeer goede vriend in heel gevaarlijk water gooien. Niet spreken brengt het kind in gevaarlijk water. De combinatie leidt tot een onoplosbaar dilema.
Niet het sexuele karakter van de relatie is traumatiserend, maar de taboesfeer waarin de maatschappij dit perst.
Mishandeling is een vooropgezet plan om -desnoods met (fysiek of mentaal) geweld- te komen tot sexuele handelingen, ongeacht de gevolgen voor het kind.
Duidelijk lijkt mij dat hierin geen liefde of respect voor hwet kind aanwezig is.
[Het is immers niet de bedoeling
dat een jongen van zeventien die met zijn vriendinnetje van vijftien naar bed
gaat, wordt vervolgd.]
Maar waneer is er dan wel vervoliging? (zonder dwang, niet zwak begaaft, en geen macht verschil)
15-30?
15-20?
15-19?
15-18?
14-20?
14-18?
14-17?
is hier corespondentie van? wat is wel en wat is niet toegestaan
Ik vind deze brochure nu pas, vreemd genoeg, en hij roept een vraag op...
In Nederland is seksueel contact met een kind beneden de twaalf jaar zonder meer strafbaar. Ook contact met een jongere tussen de twaalf en zestien jaar is strafbaar maar de politie komt volgens het geldende recht alleen in actie als aangifte wordt gedaan en een klacht wordt ingediend door de jongere, de ouders of de Raad voor de kinderbescherming. Het is immers niet de bedoeling dat een jongen van zeventien die met zijn vriendinnetje van vijftien naar bed gaat, wordt vervolgd. In het belang van de bestrijding van seksueel misbruik is wetgeving in voorbereiding, waarbij zonder klacht tot vervolging kan worden overgegaan. De minderjarige krijgt dan de gelegenheid zijn mening te geven.
Die wetgeving is er toch inmiddels..? Is er daar nu wel of niet in opgenomen dat de mening van de minderjarige geraadpleegd moet worden? Voor zover ik het kan vinden niet...
Ook bij seksuele verkenningen tussen kinderen van min of meer gelijke leeftijd is het woord ‘misbruik’ niet op zijn plaats. Door ouders en leerkrachten wordt weleens overgereageerd op aanwijzingen van seksspelletjes. De schade die ontstaat door de vaak heftige en aanhoudende reacties van volwassenen is vaak groter dan die van de gebeurtenis zelf.
Jaja, dan opeens wel... Idioten 
Eind vorig jaar heeft het onderzoekscentrum van het ministerie van justitie een rapport uitegegeven over 'pedoseksuele delinquenten', waarin ze ook de huidige wetgeving wat betreft seksuele handelingen met minderjarigen en de daarbij behorende leeftijdsgrenzen nog eens op een rij hebben gezet.
Citaat (Sr verwijst naar het wetboek van strafrecht):
In de strafwet gelden drie leeftijdsgrenzen die van belang zijn voor seksuele omgang tussen volwassenen en niet-volwassenen. De eerste grens wordt getrokken bij de leeftijd van 12 jaar. Er bestaat een absoluut verbod op elke seksuele handeling met kinderen tot en met 11 jaar. In artikel 244 Sr wordt dit verbod gekwalificeerd als ‘het bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen van het lichaam’ ten aanzien van personen onder de 12 jaar. De maximale strafbedreiging in dit geval is 12 jaar. Het (volgens het kind of de volwassene) mogelijk ‘vrijwillig’ zijn van het seksuele contact is niet relevant. De juridische leeftijdsgrens van 12 jaar is uiteraard niet willekeurig. Onder die leeftijd zijn kinderen doorgaans niet geslachtsrijp. Bovendien bestaat een brede consensus met betrekking tot de opvatting dat jonge kinderen niet in staat zijn vrij hun wil te bepalen ten aanzien van seksuele handelingen met volwassenen.
De tweede leeftijdsgrens wordt getrokken bij 16 jaar. Verbodsbepalingen voor seksuele handelingen met personen van 12 tot en met 15 jaar zijn geformuleerd in artikel 245 Sr. In dit artikel is ‘seksueel binnendringen’ het onderscheidende element.
Tot voor kort gold dat voor personen in de leeftijdscategorie tussen de 12 en 15 jaar vervolging alleen plaats kon vinden op klacht van het slachtoffer of een wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer. Sinds 1 oktober 2002 is dit wettelijke klachtvereiste vervallen. De maximale strafbedreiging behorend bij artikel 245 Sr is 8 jaar. Het artikel 247 Sr verbiedt ‘ontuchtige handelingen’ met personen onder de 16 jaar en met wilsonbekwamen. Bij dit artikel bestaat een maximale strafbedreiging van 6 jaar.
De derde leeftijdsgrens die in de strafwet is geformuleerd, valt samen met het begrip minderjarigheid. Deze eindigt doorgaans op 18-jarige leeftijd. Van nog recente datum is de wetswijziging vastgelegd in artikel 248b Sr,waarbij betaalde seks met personen van 16 en 17 jaar strafbaar is gesteld.
In artikel 249 Sr lid 1 gaat het om ontucht met minderjarige personen die aan de zorg van de overtreder zijn toevertrouwd. Het betreft een breed scala van permanente of tijdelijke zorgsituaties. Op grond van dit artikel kunnen seksuele relaties tussen bijvoorbeeld vaderfiguren en hun 16- of 17-jarige dochter strafbaar zijn. In lid 2 van hetzelfde artikel wordt bovendien gesproken van andere afhankelijkheidsrelaties (bijvoorbeeld politie-arrestant, onderwijzer-leerling of behandelaar-patiënt). Bij dit lid van het wetsartikel is geen leeftijdsgrens genoemd. Artikel 249 Sr noemt voor alle gevallen een maximale strafbedreiging van 6 jaar.
Einde citaat.
Conclusie: je hebt gelijk; de informatie in de brochure is verouderd. En er staat volgens mij niets over de mening van de minderjarige.
Grappig, want de brochure is van 2003, dus van na het vervallen van het klachtvereiste... Maar bedankt voor de moeite.
En aangezien de burgen als het goed gaat binnenkort het recht krijgt om wetsvoorstellen of -veranderingen voor te stellen, stel ik voor om die clausule alsnog te proberen toe te voegen dat de mening van de minderjarige gehoord moet worden 
Dat was ik, en het had natuurlijk "burger" moeten zijn.
"Hoewel het in veel gevallen zeker zo zal zijn, hoeft volgens ons seksueel contact tussen een kind en een volwassene niet per definitie misbruik te zijn. Er kan ook seksueel contact mogelijk zijn dat door beiden als prettig wordt ervaren."
Aan de ene kant heb je hier de pedos die een kind nooit wat sexueels zouden aandoen. Daar kan ik wel begrip voor hebben. Ik zou ze niet bij mijn eigen kinderen laten als ik die had voor de zekerheid maar verder kunnen ze er ook niets aan doen dat ze pedo zijn sommige klinken als aardige mensen hier.
Ik vind pedos die denken dat ze kinderen goed kunnen doen met sex engerds. Ik denk niet dat je kiest om pedo te zijn maar dit soort uitspraken geeft pedos het idee dat het wel okay is om sexueel contact met kinderen te maken. Pedos die dat denken leven in een fantasiewereld.
Commentaar op brochure ‘seksueel misbruik van kinderen’, Ministerie van Justitie.
Team pedofilie.nl
Het ministerie van Justitie heeft een uitgebreide folder gepubliceerd (vernieuwde versie: augustus 2003) met veel nuttige feitelijke informatie over seksueel misbruik van kinderen. In de folder staan echter ook een aantal aannames, veronderstellingen en meningen waar wij als team van de site pedofilie.nl graag onze visie tegenover willen zetten. Het gaat daarbij om twee punten: de in de folder gebruikte definities, en de omschrijving van de pedofiel als pleger van seksueel misbruik.
Het originele document is terug te vinden op: http://www.ministerievanjustitie.nl/b_organ/naps/publicaties/seksueel_misbruik.pdf (let op: file is ruim 6,5 MB groot)
1. Definities
In de folder staan definities van de begrippen pedofiel en pedoseksueel, die verschillen van onze definities (zoals hier te vinden).
a. Pedofiel
Over de definitie van pedofielen wordt in de folder het volgende gesteld: ‘Het gaat om volwassen mannen die zich uitsluitend seksueel aangetrokken
voelen tot jongens (of soms meisjes) die nog niet in de puberteit zijn gekomen’. In onze definitie hoeft het niet persé om een man te gaan, ook vrouwen kunnen pedofiel zijn. Het belangrijkste verschil is dat de pedofiel zich niet uitsluitend tot kinderen die nog niet in de puberteit zijn aangetrokken hoeft te voelen, maar wel bij voorkeur. Een pedofiel kan volgens onze definitie dus ook gevoelens voor leeftijdsgenoten van hetzelfde of het andere geslacht hebben, maar zijn (of haar) voorkeur gaat uit naar kinderen.
b. Pedoseksueel
Dan het verschil in de definitie van een pedoseksueel. In de folder staat: ‘Plegers van seksueel misbruik van kinderen worden wel pedoseksuelen genoemd.’ Vervolgens worden drie typen pedoseksuelen onderscheiden, ‘die aanmerkelijk van elkaar verschillen’: pedofielen, gelegenheidsplegers en antisociale plegers. Taalkundig klopt dit niet, omdat geïmpliceerd wordt dat een pedofiel een bepaald type pedoseksueel, en volgens deze definitie dus een pleger van seksueel misbruik van kinderen is. Zo zal het niet bedoeld zijn. Enkele alinea’s verderop staat immers: ‘Er zijn pedofielen die geen uiting geven aan hun seksuele gerichtheid. Zij hebben geen seksuele contacten met kinderen.’
Volgens onze definitie is een pedoseksueel iemand die seks heeft met kinderen, en niet iemand die seksueel misbruik pleegt met kinderen. Hoewel het in veel gevallen zeker zo zal zijn, hoeft volgens ons seksueel contact tussen een kind en een volwassene niet per definitie misbruik te zijn. Er kan ook seksueel contact mogelijk zijn dat door beiden als prettig wordt ervaren. Met de definitie uit de folder wordt die mogelijkheid uitgesloten.
Wij denken dat het zuiverder is om te spreken van een pedoseksuele misbruiker, of gewoon een kindermisbruiker, als het gaat over seksueel misbruik van kinderen. Daarmee benoem je precies waar het om gaat: de handeling van het misbruik.
2. De pedofiel
In de folder wordt vervolgens een karakterschets van pedofielen gegeven, waar wij ons niet in kunnen vinden (en waarvan overigens onduidelijk is waar hij op gebaseerd is). Veel uitspraken zijn kort door de bocht. Ze zullen vast gelden voor een aantal, of soms zelfs een flink aantal pedofielen, maar om alle pedofielen over één kam te scheren gaat wel erg ver. Ons ‘weerwoord’ is voornamelijk gebaseerd op onze eigen ervaringen.
Hieronder zullen we telkens na een citaat uit de folder onze eigen visie geven.
a. Bedreigende volwassenen
‘Naast de bijzondere seksuele gerichtheid hebben deze mannen ook in het algemeen een voorkeur voor kinderen: ze gaan liever om met kinderen dan met volwassenen, die ze als bedreigend ervaren.’
Wij denken dat dat laatste zeker niet het geval hoeft te zijn. Veel pedofielen hebben uitstekend contact met andere volwassenen, zelfs tot liefdesrelaties aan toe.
b. Aantrekkingskracht
‘Ze ‘vallen’ op de kinderlijke gestalte, houden van de belevingswereld van kinderen
en willen het liefst ‘kind met de kinderen’ zijn.’
Voor veel pedofielen is de kinderlijke gestalte een punt van aantrekkingskracht, net als de belevingswereld van kinderen. De drang om ‘kind met de kinderen’ te zijn, speelt zeker niet bij alle pedofielen. Pedofielen willen graag iets voor kinderen betekenen, maar vaak krijgt dat niet de vorm van ‘kind met de kinderen’ zijn; maar blijft de volwassene in de rol van volwassene.
c. Seksuele contacten en relaties
‘Pedofielen gebruiken hun overredingskracht om kinderen tot seksuele contacten over te halen. Eigenlijk manipuleren ze hen gewoon. Met deze kinderen hebben ze vaak een langdurige relatie.’
In dit citaat worden een aantal zaken door elkaar gehaald. Waar ‘pedofielen’ staat, zou ‘pedoseksuele misbruikers’ moeten staan. Immers: eerder in de folder werd al gesteld dat sommige (naar onze beleving: veel) pedofielen geen uiting geven aan hun seksuele voorkeur. Dit citaat impliceert ook dat alle pedofielen bij contacten met kinderen uit zouden zijn op seks. Dat is zeker niet het geval. Bij een relatie tussen een kind en een persoon met pedofiele gevoelens hoeft helemaal geen seks in het spel te zijn. Evenmin hoeft er sprake te zijn van manipulatie. Vaak bestaat een relatie uit al dan niet regelmatig contact tussen een kind en een volwassene, waarbij ze samen leuke dingen doen; bijvoorbeeld een gezamenlijke hobby beoefenen. Dat daarbij bij de pedofiel ook gevoelens van verliefdheid kunnen spelen, hoeft naar het kind toe helemaal niet duidelijk te worden, en als het dat wel wordt, hoeft het niet als vervelend ervaren te worden.
d. Seks met kinderen en kinderpornografie
‘Ze vinden dat seks met kinderen moet kunnen en ze voelen zich er dus niet schuldig over. Vaak verzamelen ze kinderpornografie, soms maken ze dat zelf voor eigen gebruik.’
Niet alle pedofielen vinden dat seks met kinderen moet kunnen. De meeste wijzen het niet geheel af, maar verbinden strenge voorwaarden aan de omstandigheden waaronder seksueel contact zou kunnen plaatsvinden. In de huidige maatschappij kan aan die voorwaarden vaak niet worden voldoen. Daarom kiezen veel pedofielen er voor geen seks met kinderen te hebben (als die keus al ooit aan de orde is). Stel dat het tóch gebeurt, dan spelen bij veel pedofielen wel degelijk schuldgevoelens. Ook pedofielen kennen immers de geldende normen, waarden en regels. Daarnaast voelen zij zich vaak verantwoordelijk ten opzichte van het kind; en voelen ze zich achteraf schuldig, omdat ze vooraf de gevolgen voor het kind van het aangaan van de seksuele relatie niet hebben kunnen overzien en/of verkeerd hebben ingeschat.
Over kinderpornografie wordt onder pedofielen verschillend gedacht. Ook wordt verschillend gedacht over wat wel en niet onder kinderpornografie valt (ook de wet is daar onduidelijk over, zie hier). Er zijn in ieder geval ook pedofielen die radicaal tegen elke vorm van kinderpornografie zijn, omdat er kinderen voor misbruikt zouden kunnen zijn.
e. Einde van een relatie
‘De relatie met het kind eindigt als het in de puberteit komt: de geslachtskenmerken die zich dan ontwikkelen, maken het kind onaantrekkelijk voor de pedofiel.’
Deze bewering klopt op twee punten niet. Voor veel pedofielen wordt een kind inderdaad fysiek minder aantrekkelijk als het in de puberteit komt, maar dat hoeft niet te betekenen dat een relatie eindigt. Behoeftes en verwachtingen veranderen, maar dat kan ook leiden tot andere verhoudingen tussen de oudere en jongere in de relatie: het hoeft geen einde te betekenen. Bovendien geldt niet voor alle mensen met pedofiele gevoelens dat de aantrekkelijkheid van kinderen ophoudt als ze in de puberteit komen: sommigen zijn óók aangetrokken tot puberende jongeren, of zelfs tot volwassenen.
Team pedofilie.nl