Over de grens? Pedofilie bezien tegen de achtergrond van queer theory

Door: Mark Akkerman, een lid van DWARS (GroenLinks jongeren) en een groepering die zich de 'Queer Querilla' noemt en zich bezighoudt met het bestuderen van de 'queer theory'.Oorspronkelijk gepubliceerd op (o.a.?) Usenet nieuwsgroep nl.roze, 2002.

Pedofilie, de seksueel getinte liefde voor kinderen, of meer nog, pedoseksualiteit, het daadwerkelijk hebben van seksueel contact met een kind, is een beladen onderwerp in maatschappij en politiek. Het levert over het algemeen gevoelens en uitingen van afkeer, afschuw en onbegrip op. Pedofielen behoren tot de meest gemarginaliseerde, gecriminaliseerde en gehate groepen in onze samenleving. Is dit terecht of moet pedoseksualiteit anders beoordeeld worden? Ik tracht in dit stuk die vraag te beantwoorden en een beoordeling van pedoseksualiteit te geven.

Ik ga er hiervoor vanuit dat de kern van dit vraagstuk, waarbij het gaat om het maatschappelijk meest controversiële, niet zozeer bij de pedofiele gevoelens als zodanig ligt, maar bij het zich daadwerkelijk voordoen van seksuele contacten met kinderen. Ook de gevoelens kunnen, en in de meeste gevallen ook zullen, afschuw en afkeer oproepen, maar er valt als zodanig moeilijk iets mee te doen. Pas wanneer de aanwezige gevoelens geuit worden in daadwerkelijk seksueel contact, is er sprake van een feit, een daad, die als zodanig beoordeeld kan worden naar zijn toelaatbaarheid, zijn effecten en dergelijke.

Om een kader aan te geven waarin ik een en ander wil behandelen, begin ik met een vrij uitgebreide inleiding over normen, identiteiten en rollen. Dit gaat veel verder dan het vraagstuk van de pedoseksualiteit alleen, maar het is wel van belang om aan te geven vanuit welke algemene opvattingen ik uiteindelijk tot een beoordeling kom.

Tot slot nog een opmerking met betrekking tot de wetgeving die betrekking heeft op seksueel contact met kinderen. In dit stuk laat ik deze wetgeving buiten beschouwing, behalve wanneer het gaat om de rol van de maatschappij. Wanneer je praat over de moraal en ethische normen, dan kunnen deze nooit voortvloeien uit wetten. Als het goed is, dan zijn wetten juist gebaseerd op de moraal en ethische normen en deze gaan daar dan ook aan vooraf. Dit wil echter niet zeggen dat wet en moraal altijd samenvallen, wat zou betekenen dat de laatste ook weer uit de eerste afgeleid zou kunnen worden. (Zie voor de verhouding tussen recht en moraal, bezien vanuit het rechtspositivisme, bijv. Werner, 1995).

De norm en de afwijkingen

Het feit dat we leven in een relatief vrije en tolerante maatschappij, neemt niet weg dat deze gekleurd wordt door normen, die zo vanzelfsprekend lijken dat er nauwelijks over nagedacht wordt, laat staan dat er getwijfeld wordt aan hun bestaansrecht. Deze normen voeren dan ook veel dieper dan de soms wel doorbroken oppervlakkige normen op gebieden als gender, relaties en seksualiteit. Juist doordat die meer oppervlakkige normen wel zijn doorbroken, kan het lijken alsof emancipatie wel zo'n beetje voltooid is, waar het door die dieperliggende normen toch veel minder het geval is.

Sekse en gender

Kijken we naar het gebied van gender, dan blijkt dat er, ondanks alle verworvenheden van de vrouwen- en in veel mindere mate de mannenemancipatie, toch bepaalde normen vast blijven staan. Of alle niet-fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen door de maatschappij en de opvoeding ontstaan of dat sommige al vanaf de geboorte aanwezig zijn is een vraag die niet zo maar even beantwoord kan worden, maar wat wel voor de hand ligt is dat die verschillen, hetzij als zodanig hetzij in de mate waarin ze voorkomen, zoals ze zich later manifesteren, sociaal geconditioneerd zijn. Met andere woorden: seksespecifieke kenmerken worden veroorzaakt door maatschappij en opvoeding of, indien ze in bepaalde mate aanwezig zijn vanaf de geboorte, duidelijk in een bepaalde richting verder ontwikkeld, waardoor het verschil tussen zogenaamde mannelijke en vrouwelijke kenmerken vergroot wordt (zie bijv. Gianini Belotti, 1975; Hessellund, 1977 en Meulenbelt, 1984).

Het overschrijden van de grenzen van typische mannelijk- en vrouwelijkheid is de afgelopen decennia steeds meer geaccepteerd binnen onze samenleving, met name waar het gaat om het door het andere geslacht op zich nemen van taken die voorheen vrijwel uitsluitend door het ene geslacht werden uitgeoefend. Dat zulke zaken geaccepteerd worden, en overwegend als vrij normaal worden beschouwd, laat onverlet dat ze niet als vanzelfsprekend gezien worden. Traditionele rolpatronen vormen nog vrijwel altijd de basis van het denken, dat bijgesteld moet worden wanneer blijkt dat van deze rolpatronen in een bepaalde situatie wordt afgeweken.

Daar blijft het echter niet bij. Wanneer het afwijken van traditionele normen 'te ver gaat' kan er nog steeds gerekend worden op maatschappelijke verwarring en/of afkeuring. Vooral wanneer mannen terreinen betreden die als exclusief vrouwelijk beschouwd worden, treden deze verschijnselen op. Te denken valt aan het dragen van vrouwelijke kleren: hetzij in de vorm van travestie (zie bijv. Stoute, 1994), waarbij ook het aannemen van een vrouwelijke rol als geheel van belang is, hetzij in de vorm van het dragen van vrouwenkleren door een man zonder dat het aannemen van een vrouwelijke rol als geheel aan de orde is, zoals bijvoorbeeld in de jaren zeventig van de vorige eeuw gedaan werd door de radicale aktiegroep de Rooie Flikkers (Warmerdam, 1991).

Dat verschijnselen als afkeuring en verwarring in de maatschappij veel minder optreden wanneer vrouwen typisch mannelijke terreinen betreden, hangt er vooral mee samen dat veelal de gedachte nog leeft dat zogenaamd vrouwelijke kenmerken ondergeschikt zijn aan mannelijke kenmerken. Mannen die dan typisch vrouwelijke kenmerken aannemen, worden gezien als personen die er voor kiezen hun bevoorrechte positie te verlaten om naar een minderwaardig niveau af te dalen. Paul Vennix, seksuoloog bij het Nederlands Instituut voor Sociaal-Seksuologisch Onderzoek (NISSO) in Utrecht zegt daarover: "Zij [vrouwen] worden opgevoed in een mannenwereld en komen sowieso al op honderdeneen manieren in aanraking met de 'mannelijke' wereld. Voor hen is contact met de 'mannelijke' een opwaardering. Voor mannen is contact met het 'vrouwelijke' maatschappelijk gezien een devaluatie. Je kunt constateren dat mannen daarom sterker geïsoleerd zijn van hun 'vrouwelijke' kant dan vrouwen van hun 'mannelijke' kant." (Bullinga, 1988, p. 10).

Naast het aannemen van kenmerken of uitingsvormen die vooral toegeschreven worden aan het andere geslacht, kan ook gewezen worden op bijvoorbeeld genderdysfory en transseksualiteit (zie bijv. Van Leeuwen, Dakman en Nijsten, 1992). In die gevallen voelt iemand zich zodanig van het andere geslacht dan het lichaam dat die persoon heeft dat er voor gekozen wordt ook het lichaam van het andere geslacht aan te willen nemen. Ik ga hier nu niet dieper op in, maar het geeft in ieder geval aan dat er in meer of mindere mate sprake kan zijn van discrepantie tussen sekse (het lichaam als man of vrouw) en gender (in hoeverre iemand zichzelf als mannelijk of vrouwelijk beschouwd of door anderen gezien wordt). Het opheffen van de geslachtsdichotomie en het loslaten van het belang dat aan de indeling in mannen en vrouwen gehecht wordt, zou de ruimte geven aan een ieder om, los van verwachtingen en dergelijke, zich als persoon, en niet als man of vrouw, te ontwikkelen en die kenmerken, die nu nog als typisch mannelijk of vrouwelijk beschouwd worden, aan te nemen die het beste bij haar of zijn persoon passen.

In samenlevingen waarin de maatschappelijke dwang ontbreekt om je naar een man of vrouw volgens bepaalde seksespecifieke kenmerken te ontwikkelen, zijn de identiteits- en sociale verschillen tussen mannen en vrouwen overigens veel minder groot en is met name de rol van de man beduidend minder 'mannelijk' dan in samenlevingen waarin deze dwang wel aanwezig is (zie bijv. Gilmore, 1993, hoofdstuk 9). Ook een niet-seksistische opvoeding in al die maatschappijen waarin die dwang wel aanwezig is, kan hieraan een bijdrage leveren, al wordt deze, zeker wanneer kinderen ouder worden, beperkt door de invloeden vanuit de omgeving en de maatschappij als geheel (zie bijv. Carmichael, 1979).

Seksualiteit en relaties

Op het gebied van relaties en seksualiteit is er weliswaar ruimte gecreëerd voor een beperkte geaccepteerde mate van eigen invulling daarvan, maar de norm waaraan alles afgemeten wordt blijft de monogame heteroseksuele relatie tussen twee mensen met een beperkt leeftijdsverschil tussen de partners en uitingen van seksualiteit die binnen zo'n relatie plaatsvinden en op hun beurt ook niet als deviant aangemerkt worden. De enige daadwerkelijke verschuiving in normen die de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden is die van één langdurige relatie voor het hele leven naar een aaneenschakeling van meerdere langjarige relaties, van absolute naar seriële monogamie (zie bijv. Mepschen en Drucker, 2000).

Relatievormen en uitingen van seksualiteit die niet binnen de gestelde norm vallen, worden soms wel en soms niet acceptabel geacht, maar ze worden in ieder geval allemaal als afwijkend beschouwd. Het belangrijkste daarbij zijn niet kleine groepen religieuze fanatici en andere uiterst bekrompen geesten (zie bijv. Van den Aardweg, 1967; Barth, 1998; Comiskey, 1989; Van Golen, zj en Tolsma, 1963) maar juist de veel grotere groep van de bevolking die zelf binnen het hokje van de gestelde norm valt en alles wat daarbuiten valt diep van binnen toch maar vreemd, minderwaardig of iets dergelijks vindt (zie bijv. Sporken, 1977, pp. 170-178), zonder dat dit persé hoeft te leiden tot afkeuring als zodanig.

Er zijn vele vormen van seksualiteit, die buiten het als norm gestelde hokje vallen: homoseksualiteit, biseksualiteit, pedoseksualiteit, sadomasochisme, polyamory (zie bijv. Anapol, 1997 en Easton en Liszt, 1998), groepsseks, bestialiteit, a-seksualiteit, zelfbevrediging, fetisjisme, exhibitionisme, voyeurisme etcetera. In meer of mindere mate worden deze, en nog veel andere vormen van seksualiteit of seksualiteitsbeleving, allemaal als afwijkend beschouwd. Sommigen worden maatschappelijk gezien redelijk geaccepteerd, anderen niet. Sommigen zijn strafbaar, anderen niet. Pedoseksualiteit wordt later nog uitgebreid besproken, maar meer in het algemeen geldt voor al deze vormen, die ik hier nu niet verder zal behandelen, dat ze niet de norm aangeven, dat ze maatschappelijk gezien dan ook niet als normaal gezien worden en dat er dan in principe van niemand gedacht zal worden dat hij of zij één of meerdere van deze vormen uitvoert. Iemand die heteroseksueel en monogaam is, hoeft daar nooit voor uitkomen; iemand die homoseksueel, biseksueel etcetera is, wijkt af en moet om ook maatschappelijk als homo, bi etcetera gezien te worden, daarvoor uitkomen, wat vaak een moeilijk proces is. Standaardvragen als ‘heb je al een vriend?’ zijn behoorlijk vervelend wanneer je als meisje op meisjes valt, maar niemand zal er ooit vanuit gaan dat je niet hetero bent wanneer je dat niet zelf aangeeft. Zo’n houding werkt beperkend en maakt het onnodig moeilijk om jezelf seksueel gezien te ontplooien.

Voor de normen op het gebied van seksualiteit zijn overigens vaak verbindingen te leggen met de normen op het gebied van sekse en gender. Dat uit er zich ondermeer in dat relaties en seks tussen vrouwen over het algemeen op veel minder afkeuring kunnen rekenen dan relaties en seks tussen mannen. Dit heeft er vooral mee te maken dat de seksualiteit van de vrouw, net als de vrouw als zodanig, er maatschappelijk gezien minder toe doet. Wanneer een vrouw seks heeft met een andere vrouw, neemt zij mogelijk de rol op zich die eigenlijk weggelegd is voor de man, een rol die zich boven haar eigenlijke niveau bevindt. Het is niet voor niets dat er betrekkelijk veel mannen zijn die seks tussen vrouwen wel opwindend vinden, niet zelden vanuit het idee dat deze vrouwen ook wel voor hem beschikbaar zijn, dat hij zijn seksuele rol als man op zich kan nemen en hieraan uiting kan geven met één, beide of meerdere van deze vrouwen. Verder doorgetrokken leidt dit tot het ook niet bijzonder winig voorkomende waanidee dat vrouwen lesbisch zijn omdat ze nog nooit goede seks met een man beleefd hebben, danwel lesbisch worden, omdat ze seksueel of anders gezien slechte ervaringen met mannen hebben. Als ze maar één keer goede seks met een man hebben, worden ze wel genezen.

Ook bij seks tussen mannen onderling en de reacties die dat oplevert is de verbinding met normen op het gebied van sekse en gender te leggen. Een man die bij seks met een andere man de 'mannelijke', actieve rol inneemt, degene die neukt, kan over het algemeen op veel minder afkeuring rekenen dan degene die de 'vrouwelijke', passieve rol inneemt, die geneukt wordt (zie voor de agressie die met name homoseksualiteit gekoppeld aan een feminiene uitstraling opwekt bijvoorbeeld Bergsma, Odijk, Tielman en Wildschut, 1983). Hierbij kan bijvoorbeeld gewezen worden op culturen, waarin het wenselijk geacht wordt dat vrouwen als maagd het huwelijk ingaan. Het is dan niet ongebruikelijk dat mannen, voor het huwelijk, seks met andere mannen hebben, zolang zij maar de actieve rol blijven innemen, waardoor ze niet echt als homoseksueel gezien worden. De mannen die zich wel laten neuken, zijn dan de echte homoseksuelen en die worden toch weer als maatschappelijk minderwaardig gezien.

Mensen die buiten de bekendste hokjes vallen, die meestal binair (als tegenpolen) gesteld zijn, worden vaak vanuit beide hokjes beschouwd als minderwaardig, twijfelaars, verraders of iets dergelijks. Zo kan biseksualiteit zowel onder hetero- als onder homoseksuelen niet zelden op een behoorlijke muur van afkeuring en/of onbegrip stuiten (zie bijv. Jeffreys, zj). Er wordt bijvoorbeeld beweerd dat biseksuelen eigenlijk homoseksuelen zijn die, al dan niet om maatschappelijke redenen, nog niet de heteroseksualiteit volledig hebben losgelaten of dat biseksualiteit gewoonweg niet bestaat, omdat je wel op het een of op het ander moet vallen. Dat iemand valt op iemand anders vanwege diens karaktereigenschappen en dergelijke, waarbij het lichaam in de zin van sekse dan minder belangrijk is, of dat beide soorten seksen ook lichamelijk gezien voor iemand aantrekkelijk kunnen zijn, zowel in hun overeenkomsten als in hun verschillen, en dat seks met beide seksen ook door iemand als fijn ervaren kan worden, weer zowel in overeenkomsten als in verschillen, wordt dan ontkend.

Talloze onderzoeken worden er gedaan naar het ontstaan en de oorsprong van alle vormen van seksualiteit en relatiebeleving die buiten de gestelde norm vallen. Afwijkingen moeten immers toch ergens ontstaan door de een of andere stoornis, genetische afwijking, gebeurtenissen in de jeugd of iets dergelijks.

Er is mij echter geen enkel onderzoek bekend naar het onstaan van heteroseksualiteit of monogame relatiebeleving. Misschien is heteroseksualiteit wel een zich massaal voordoende afwijking, voortkomende uit het vanaf jeugdige leeftijd gescheiden houden van personen van mannelijke en vrouwelijke sekse, wat ongezonde belangstelling voor het onbekende opwekt of wordt monogamie veroorzaakt door genetisch bepaalde luiheid op relationeel vlak, die er voor zorgt dat mensen zich tevreden stellen met één partner en hun natuurlijke aanleg om zich voor verschillende aspecten van hun leven en identiteit te omringen met meerdere partners, die ieder op één of meer van deze aspecten aansluiten, verwaarlozen.

Onderzoeken naar de oorzaken van seksualiteitsvormen zijn kortom onzin, niet alleen omdat die oorzaken niet te vinden zijn, want dat kan in sommige gevallen misschien best wel, maar omdat het er niet toe doet. Oorzaken zijn alleen van belang als je er iets mee wil doen, en in deze gevallen zal het doel eigenlijk alleen maar kunnen zijn dat ze weggenomen worden teneinde te voorkomen dat iemand zich ontwikkeld in de richting van een bepaalde vorm van seksualiteit.

Een nieuwe norm

Pleit ik ervoor dat alle normen op het gebied van relaties en seksualiteit losgelaten moeten worden, moet seksualiteit normloos worden? Nee, maar er moet wel worden uitgegaan van een heel andere norm, een norm die aansluit bij normen die op veel meer maatschappelijke terreinen zou moeten gelden: ontplooi jezelf, zolang je er anderen niet mee schaadt.

Zo’n norm laat het denken in hokjes los, bevrijdt zich van termen als ‘normaal’ en ‘afwijkend’, en biedt ruimte aan een ieder om haar of zijn seksualiteit te beleven op een gewenste manier, zonder dat hier normatieve of morele oordelen over geveld worden en zonder dat iemand zich in een bepaald hokje laat drukken, dat alleen maar benauwend en beperkend werkt. Marcel Bullinga (1988, pp. 263-264) zegt hierover het volgende:
"Het is tijd voor andere definities. Ons denken in tweedelingen heeft ons weinig verder geholpen. We kunnen proberen meer waarheidsgetrouw te spreken, in termen van het hier en nu - zonder ons tot in de eeuwigheid vast te pinnen - en door de daad zelf als leidraad te nemen. […] We kunnen ons erotisch gevoel breder maken, ongerichter. Promiscuïteit, monogamie, de manier waarop we vrijen en dergelijke: het zullen alle persoonlijke voorkeuren worden, die niet zoals nu op voorhand negatieve en seksegebonden kwalificaties oproepen. Het zal niet meer zo zijn dat sommigen ten koste van veel moeite en innerlijke strijd moeten 'uitkomen' voor hun seksuele voorkeur, terwijl dat voor anderen met de meerderheidsvoorkeur de grootste vanzelfsprekendheid ter wereld is. Zo wordt de dwang tot heteroseksualiteit - iedereen is hetero tot het tegendeel bewezen is - doorbroken. Niet om het omgekeerde te bereiken - iedereen is homo tot het tegendeel bewezen is - maar: iedereen is een raadsel, en het tegendeel hoeft niet bewezen te worden.
Misschien dat we erin slagen de veranderbaarheid in te bouwen in ons zelfbesef, in de identiteiten die we ons aanmeten. […] Een voorkeur, een levensstijl, een identiteit duurt geen leven lang. […] Ook onze seksuele gevoelens zijn niet onveranderlijk. Vandaag doen we het met een man, morgen met een vrouw, overmorgen met allebei en volgende week hebben we tabak van alle seksualiteit en doen het met niemand meer, of hooguit met onszelf."

Queer theory

De 'queer theory' biedt aangrijpingspunten voor de inkadering van de in de vorig paragraaf geformuleerde norm. Queer theory is een moeilijk te omschrijven wetenschappelijke stroming, die voortkomt uit de homostudies. Queer theory richt zich op alles dat valt in normatieve en deviante categorieën, met name seksuele activiteiten en identiteiten. Het houdt zich bezig met alle vormen van seksualiteit die 'queer', ongewoon, zijn en daarbij ook met de normatieve gedragingen en identiteiten die bepalen wat 'queer' is (door hun binaire tegenpool te zijn).

Het benadrukt dat alle seksuele gedragingen, alle concepten die seksuele gedragingen aan seksuele identiteiten verbinden en alle categorieën van normatieve en deviante seksualiteiten sociale constructies zijn, groepen aanduidingen die bepaalde typen van sociale betekenis creëren. Queer theory volgt feministische theorie en homostudies in het verwerpen van het idee dat seksualiteit een wezenlijke categorie is, iets dat bepaald is door biologie of beoordeeld kan worden door eeuwige normen van moraliteit of waarheid. Seksualiteit wordt gezien als een complex schema van sociale codes en krachten., vormen van individuele activiteit en institutionele macht, die interacteren om de ideeën over wat normatief en wat deviant is vorm te geven.

Het doel van de queer theory is het destabiliseren van culturele ideeën over normaliteit en seksualiteit en termen als hetero- en homoseksueel die gebruikt worden om mensen die zich niet conformeren aan het Westerse ideel van monogame heteroseksualiteit te onderdrukken. Queer theory verwerpt tweedelingen (homo-hetero, man-vrouw) en vaststaande identiteiten (zie bijv. Dudink, 1994).

Het gaat te ver om hier nog uitgebreide aandacht te besteden aan kritiek op de queer theory, maar helemaal ongenoemd kan dit ook niet blijven. Vanuit feministische hoek wordt, met name door radicale lesbische feministes als Sheila Jeffreys (1999) en Amy T. Goodloe (1994) beargumenteerd dat queer theory geen oog heeft voor de problemen van mannelijke dominantie en onderdrukking van de vrouw. Meer in het algemeen wordt het verwerpen van identiteitenpolitiek en groepsdenken bekritiseerd, omdat juist het deel uitmaken van een groep, identificatie als groep en het als groep gezamenlijk ten strijde trekken tegen onderdrukking en dergelijke een veelgebruikt middel is van vele sociale bewegingen, zoals bijvoorbeeld de vrouwenbeweging en de Black Power beweging (Goodloe, 1994).

Zoals gezegd laat ik deze kritiekpunten op de queer theory hier verder onbesproken, wat niet wil zeggen dat ik het niet eens zou zijn met sommige van deze punten. Queer theory is volgens mij het best toepasbaar in een meer ideale samenleving, een samenleving die de vooronderstellingen van de queer theory benadert. Zover is het nog niet, maar op meer abstract niveau is het in het algemeen wel degelijk een goede theorie om zaken te beschouwen. Daarnaast zou het helemaal niet slecht zijn als degene die zich bevinden binnen de grenzen van het normatieve hokje, de monogame heteroseksualiteit zonder andere afwijkende punten of uitingen, zich ook nu al uit dit hokje zouden bevrijden en opener, dus ook minder vanuit hen persoonlijk, vanuit de kenmerken van de identiteit die zij zich aangemeten hebben, tegen de rest van de wereld zouden aankijken. Voor hen betekent het vasthouden aan het groepsdenken namelijk alleen maar dat zij deel uitmaken van de overheersende, normatieve groep die als zodanig alles wat daar buiten valt kan onderdrukken, ontkennen en verzwijgen.

Het loslaten van normen is iets dat weinig besproken wordt. In Nederland werd het bijvoorbeeld weer uit de kast gehaald door Queer Guerilla, aktiegroep voor seksuele diversiteit. In een persbericht naar aanleiding van een aktie, waarbij het gebouw van de Evangelische Hulp Aan Homofielen roze werd geschilderd als protest tegen de anti-homo-opvattingen en werkwijzen van deze organisatie, schreef de groep: "Queer Guerilla staat voor seksuele diversiteit binnen een open en vrije samenleving van en voor iedereen. Daarvoor moet de maatschappelijke norm van heteroseksuele monogamie doorbroken worden. Het is niet genoeg dat sommige vormen van seksualiteit die van deze norm afwijken getolereerd worden en gelijke rechten toegekend worden. Zolang mensen in hokjes opgedeeld worden, zal het hokje waarin een bepaalde groep zich bevindt (in dit geval monogame heteroseksuelen) zich altijd superieur en 'normaal' blijven voelen en in de maatschappij bevoordeeld worden ten opzichte van iedereen die zich buiten dat hokje bevindt. Queer Guerilla streeft naar opheffing van het hokjesdenken en voor invoering van een norm die alle ruimte biedt voor seksuele diversiteit: een ieder moet haar/zijn seksualiteit kunnen ontplooien zolang anderen er niet door geschaad worden." (Queer Guerilla, 2002).

De norm die ik stelde is dus voor een belangrijk deel gebaseerd op de idee uit de queer theory dat tweedelingen, hokjes, met daaraan gekoppeld normativiteitsdenken, en vaststaande identiteiten verwerpt. Ik voeg daaraan toe dat, in het verlengde van het opheffen van deze beperkingen op seksuele en maatschappelijke uitingen, een andere norm moet gaan gelden: het niet schaden van anderen. Binnen de norm vallen dan alle vormen van seksualiteit waardoor anderen niet geschaad worden, en wat die vormen op zich dan inhouden in wijze van uiting, keuze van partner(Drunk en dergelijke is niet van belang. Buiten de norm vallen slechts die uitingen van seksualiteit die anderen schaden.

Schade

Schade is een rekbaar begrip, en het gaat te ver om dat hier helemaal uit te werken. Voor het onderhavige thema is het van belang te zeggen dat het zowel kan gaan om lichamelijke als om geestelijke schade. De eerste vorm van schade is makkelijker vast te stellen dan de tweede. Geestelijke schade kan in de eerste plaats samenhangen met de ongewenstheid van seksuele handelingen en de onvrijwilligheid bij het aangaan ervan. Daarnaast kan schade optreden wanneer vantevoren niet overzien wordt wat de consequenties van de op dat moment vrijwillig en (schijnbaar) gewenst uitgevoerde handelingen zijn. Er kunnen zich dan achteraf zaken als spijt, schuldgevoel, trauma en dergelijke gaan voordoen. Over de vraag in hoeverre die zaken te wijten zijn aan het contact als zodanig en in hoeverre aan maatschappelijke reacties erop kom ik later nog uitgebreid terug.

Pedoseksualiteit

Wat heeft het bovenstaande nu allemaal met pedoseksualiteit, te maken? Het gaat erom dat je je los maakt van je eigen aangemeten identiteit om aan te kijken tegen andere zaken. Hoewel jezelf misschien moet walgen van het idee van seks met, in dit geval, een kind, kan die walging geen grond zijn om pedoseksualiteit als zodanig af te wijzen. Je eigen gevoel als maatstaf nemen om andere gevoelens en seksuele uitingen aan te beoordelen, gaat er vanuit dat wat jij voelt normaal is en daarmee normatief kan werken om te bepalen wat deviant en dus fout is. De queer theory draait er ondermeer om dit denken los te laten. In het begin van dit stuk schreef ik dat sommige normen zo vanzelfsprekend lijken, dat er nauwelijks over nagedacht wordt. Het is goed je eerst hiervan bewust te worden en je te realiseren dat die normen misschien wel helemaal niet zo goed zijn om vervolgens die normen los te kunnen laten en op een andere manier tegen dingen aan te kunnen kijken.

De door mij in het voorafgaande gestelde norm neem ik nu als uitgangspunt om pedoseksualiteit te beoordelen en dan wordt de vraag die van belang is, de vraag of pedoseksualiteit binnen deze ruime norm valt. Kortom: schaadt het hebben van een pedoseksueel contact, vanuit het kind gezien dus het hebben van seksueel contact met een substantieel ouder persoon, het kind of niet?

Wat er precies onder een seksueel contact verstaan moet worden is lastig te definiëren. Naast zaken, zoals penetratie, orale en manuele seks etcetera, die hier duidelijk onder vallen zijn er zaken waarbij de intentie meer bepalend is voor de definiëring. Knuffelen, aaien, een zoen op de mond, bijten, krabben etcetera zijn voorbeelden van uitingen die seksueel gemotiveerd kunnen zijn maar dat niet hoeven zijn. Ik houdt het er dus maar op dat er sprake is van seksueel contact wanneer er bij minimaal één van de betrokkenen sprake is van een seksuele motivatie bij een bepaalde uiting.

(On)vrijwilligheid

Het eerste antwoord op deze vraag lijkt mij dat hier geen algemeen antwoord op gegeven kan worden. Natuurlijk is het mogelijk dat het kind geschaadt wordt, direct of later, door het seksueel contact als zodanig. Wanneer het gaat om een onvrijwillig contact, zal dat, net zoals bij alle onvrijwillige seksuele contacten (seksuele intimidatie, aanranding, verkrachting), in het overgrote deel van de gevallen zeker het geval zijn.

Op zich zou hierover gezegd kunnen worden dat dit niet gekoppeld is aan het feit dat het contact pedoseksueel is, maar aan het feit dat het een onvrijwillig contact is. Daarbij kan echter niet voorbij gegaan worden aan de bewering dat de termen 'vrijwillig' en 'onvrijwillig' in het geval van seks met kinderen op een andere wijze geïnterpreteerd zouden moeten worden. Wat op het eerste gezicht als 'vrijwillig' contact bestempeld kan worden, zou in feite een minder of meer hoge mate van 'onvrijwilligheid' in zich dragen, gezien de ongelijkwaardigheid en machtsongelijkheid tussen de sekspartners. (Dit is overigens iets wat zich ook binnen andere relatievormen, waaronder het heteroseksuele huwelijk (zie bijv. Estrich, 1987) kan voordoen).

Intermezzo: macht

Het is haast onontkoombaar dat macht een rol speelt binnen relaties en bij seksuele contacten. Dit geldt net zo goed voor gewenste als voor ongewenste contacten. Binnen sommige relaties of seksuele contacten is dit heel duidelijk, te denken valt aan relaties en seks waarbinnen sadomasochisme een rol speelt (zie bijv. Fitzpatrick Hanley, 1995). Vaker echter zijn die machtsverschillen onduidelijker en is de rol ervan diffuser. Volgens Sheila Jeffreys (1999) is bijvoorbeeld het overgrote deel van de heteroseks vooral bedoeld om de machtsverschillen tussen mannen en vrouwen te erotiseren en de mannelijke suprematie te bevestigen.

Macht binnen relaties kan een element van wederkerigheid in zich dragen. Om nog even naar het voorbeeld van sadomasochistische contacten terug te grijpen: de macht lijkt op het eerste gezicht bij de dominante persoon (personen) te liggen, maar vaak is het zo dat de onderdanige persoon (personen; sub(Drunk) door middel van een stopwoord de macht heeft om aan het hele spel een einde te maken. De controle is dan dus wel degelijk verdeeld over beide, of meerdere, partners.

De macht die in het geval van pedoseksualiteit een rol speelt, maar ook bij veel andere relaties en sekscontacten, ligt echter niet zozeer op het niveau van fysiek of seksueel overwicht, eventueel beperkt tot alleen het seksuele contact, als zodanig. Zal in sommige relaties bijvoorbeeld de economische afhankelijkheid van de ene partner aan de andere partner een machtsverschil bepalen, bij pedoseksualiteit gaat het vooral om geestelijke macht, het verder zijn in de ontwikkeling van de oudere partner en eventueel zijn of haar hogere maatschappelijke status en machtspositie.

Machtsverschillen kunnen altijd uitmonden in zaken als manipulatie en geestelijke druk om tot iets over te gaan wat eigenlijk niet gewenst is. In het algemeen is het, voor welke menselijke verhouding dan ook, wenselijk dat de machtsverschillen zo klein mogelijk zijn en dat mensen zo weinig mogelijk macht over elkaar, en zo veel mogelijk macht over henzelf, hebben, om machtsmisbruik zo veel mogelijk te voorkomen. Wanneer echter alle menselijke verhoudingen waarbij de deelnemers ongelijk in macht zijn als misbruik bestempeld worden, dan blijft er weinig over wat geen misbruik is. Grotere macht hoeft niet tot misbruik te leiden. Het kan natuurlijk wel, dat moet niet ontkend worden, en naarmate de machtsverschillen groter zijn, zal de kans dat het zich voordoet waarschijnlijk ook wel toenemen, maar het hoeft zich niet voor te doen.

Overigens kunnen in de huidige maatschappelijke situatie de machtsverschillen tussen het kind en een ouder persoon in wat voor relatie dan ook waarbij enige vorm van seksueel contact een rol speelt, wel enigszins gerelativeerd worden. Vanwege de maatschappelijke en juridische afkeuring die pedofilie en pedoseksualiteit omgeven, is het door het kind naar buiten brengen van seksuele contacten of het zoeken van seksuele toenadering door een ouder persoon veelal al voldoende om die persoon in grote problemen te brengen, waarbij een vorm van macht dus duidelijk bij het kind ligt. Wanneer het gaat om ongewenste contacten is dit natuurlijk terecht, wanneer het gaat om gewenste contacten kunnen daar echter op z’n minst grote vraagtekens bij gezet worden. Om de contacten te kunnen voortzetten en de oudere partner niet in problemen te brengen is dan geheimhouding geboden. Het is de vraag of dat een gewenste situatie is. Gedwongen geheimhouding op zich kan al tot problemen leiden, grote druk op de partners, en met name ook het kind, leggen etcetera. Wanneer geheimhouding niet nodig zou zijn en de contacten zich dus meer in openheid zouden kunnen afspelen, dan is er niet alleen veel beter toezicht mogelijk, waardoor ook de grens tussen wat gewenst en ongewenst is veel beter in de gaten gehouden kan worden, maar kunnen de partners ook meer zichzelf zijn, kan de relatie zich beter ontwikkelen en kunnen ook contacten met derden, zoals ouders, veel minder onder druk komen te staan. Overigens kan de geheimhouding natuurlijk ook door oudere partners tegen kinderen gebruikt worden, bijvoorbeeld als dwangmiddel om de seksuele contacten voort te zetten, want ook voor het kind zijn de gevolgen van het bekend worden van dergelijke contacten meestal niet erg positief. Dergelijk handelen van oudere partners is natuurlijk zeer verwerpelijk, maar ook dit zou door de noodzaak van geheimhouding weg te nemen zich veel minder kunnen voordoen.

Wanneer ik het ga hebben over inzicht in de beslissing om seks te hebben en consequenties daarvan kom ik nog uitgebreider terug op iets wat hier ook niet onvermeld mag blijven: een goede opvoeding op het gebied van seksualiteit zal er toe bij dragen dat de machtsverschillen tussen het kind en de oudere partner waar het gaat om het verschil in ontwikkeling op geestelijk gebied een stuk afnemen. Dit geldt sowieso voor een opvoeding waarbij autoriteit, en respect voor autoriteit als zodanig, een minder grote rol spelen. Bevorderen van keuzevrijheid, eigen mening en eigen ontwikkeling, zullen een kind zelfstandiger, bewuster en mondiger maken en minder geneigd zomaar toe te geven aan wensen van anderen, die in hun ogen een autoriteit vertegenwoordigen. Dat kan er alleen maar toe bijdragen dat ‘ja’ ook bewust ‘ja’ betekent, en dat is volgens mij een wenselijke situatie.

Er zijn situaties waarin ook maatschappelijke machtsrelaties een sterke rol spelen: ouder-kind, leraar-leerling etcetera. Seksuele contacten binnen deze 'formele' relaties, dragen meestal eerder een ongewenste hoeveelheid machtselementen met zich mee dan wanneer zo’n formele relatie niet aan de orde is. Dit noopt tot een grotere voorzichtigheid en zou in de praktijk misschien aanleiding kunnen zijn tot het verbieden van dergelijke seksuele contacten.

Met name waar het gaat om incest (zie bijv. Rijnaarts, 1987) kan bijvoorbeeld gewezen worden op de alomvattende machtsrelatie tussen ouder en kind, die het kind in een bijzonder afhankelijke positie brengt. Emotionele binding in de zin van ouder-kindrelaties is een binding die zich gewoonlijk niet vertaald in seksuele uitingsvormen. Wanneer deze zich voordoen, lijkt mij het zeer moeilijk te bepalen in hoeverre deze werkelijk bewust gewenst zijn van de kant van het kind. De kans dat deze zich min of meer verplicht voelt tot seksuele contacten als bevestiging van emotionele binding, of op z’n minst als voortvloeiend uit die binding, is dermate groot dat het mij niet wenselijk lijkt. Daar komt nog bij dat een kind zou mogen verwachten binnen het gezin een veilige en beschermende omgeving te hebben, wanneer het dan gedwongen wordt tot ongewenste seksuele contacten is er zonder meer sprake van een van de gruwelijkste vormen van kindermishandeling. Juist degenen die bescherming zouden moeten bieden tegen zulke ongewenste zaken, maken zich hier dan zelf schuldig aan. Overigens is gebleken dat in incestgevallen ouders zelden als pedofiel bestempeld kunnen worden, het gaat er meer om dat er een makkelijk seksobject voor handen is. Daadwerkelijke seksuele handelingen vallen natuurlijk wel onder de noemer pedoseksualiteit.

Dit alles wil niet zeggen dat alle incest als onwenselijk ervaren wordt. Brongersma (1993) haalt een aantal gevallen van wederzijdig als prettig en wenselijk ervaren incestuele seksrelaties aan.

Machtsverschillen, die nooit geheel afwezig zullen zijn, mogen er kortom niet toe leiden dat iemand zich gedwongen voelt in te stemmen met iets, wat hij of zij eigenlijk niet wil. Dan is er inderdaad geen sprake meer van vrijwilligheid. Bij pedoseksualiteit kan dit, zeker in de huidige maatschappelijke situatie, misschien sneller het geval zijn dan bij de meeste andere vormen van seksualiteit, maar het hoeft zich niet noodzakelijk voor te doen.

Schade bij pedoseksualiteit

Het is nuttig even terug te komen op het onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke schade. Voor wat lichamelijke schade betreft moet bij pedoseksuele contacten natuurlijk rekening gehouden worden met het fysieke ontwikkelingsniveau van het kind. Zo lijkt penetratie (vaginaal of anaal) op jonge leeftijd vanwege het gevaar van het toebrengen van lichamelijke schade weinig aanbevelingswaardig (zie voor een andere mening bijv. Brongersma, 1993). Er zal dan ook altijd rekening gehouden moeten worden met wat wel en niet kan. Daarbij zal altijd het minst vergaande niveau bepalend moeten zijn. Dit geldt natuurlijk net zo goed op geestelijk vlak. Wanneer één van de partners bij een seksueel contact een grens stelt bij een bepaalde vorm van het contact, dan moet die grens te allen tijde gerespecteerd worden. Ook dit is weer iets wat niet alleen bij pedoseksuele contacten een rol speelt, maar wat in feite gewoon een uitvloeisel van de door mij gestelde norm van anderen geen schade toebrengen is en in die zin op alle seksuele contacten en relaties van toepassing is.

Inzicht van het kind en overzien van consequenties

Naast de mate van vrijwilligheid of onvrijwilligheid waarmee seksuele contacten aangegaan worden, iets wat vooral voorafgaande en gedurende het seksuele contact aan de orde is, is een ander kritiekpunt gelegen in de bewering dat het kind inzicht mist om echt bewust toestemming te geven voor seks en dat het de mogelijke consequenties ervan niet kan overzien.

Als een kind totaal geen benul heeft van wat seks inhoudt, zal bewuste toestemming moeilijk te geven zijn. Dit neemt echter niet weg dat zij of hij zaken, op welk vlak die dan ook liggen, dus ook op seksueel vlak, als prettig of onprettig kan ervaren en daarop in gedrag kan reageren. Iets wat als prettig ervaren wordt, kan verder gaan, iets wat als onprettig ervaren wordt, zal stopgezet worden. Natuurlijk verdient het voorkeur dat die bewustheid van seks als zodanig er wel is, om ook verder dan het enkele moment van prettige of onprettige gevoelens te kijken.

De idee dat een kind, dat wel een bepaalde mate van inzicht in seks heeft, seksueel contact automatisch zal afwijzen, omdat kinderen altijd een afkeer van seks zouden hebben, lijkt mij een fabeltje. Beter inzicht leidt er echter wel toe dat een bewustere keuze gemaakt kan worden, zowel voor als tegen het aangaan van seksuele contacten.

Consequenties van seksueel gedrag, het aangaan van relaties en dergelijke zijn voor iedereen moeilijk te overzien. Het gaat om gevoelens, waarop niet simpele oorzaak-gevolgformuleringen van toepassing zijn. Liefde, relaties en seks en de daarmee gepaard gaande gevoelens blijven, hoe oud iemand ook is, tot op zekere hoogte altijd onvoorspelbaar en een mysterie.

Een groot deel van deze mogelijk problematische factor kan weggenomen worden door een goede opvoeding op het gebied van seksualiteit. Wanneer een kind een goed inzicht heeft in seksualiteit, voor zover dat überhaupt mogelijk is, en alles wat daarmee samenhangt, zal de keuze om wel of niet seks te hebben veel bewuster genomen worden. Brongersma (1993) schrijft hierover: ‘Wie een jongen wil wapenen tegen ongewenste seksuele toenadering door volwassenen, moet hem in de eerste plaats een duidelijke en volledige voorlichting geven over seksualiteit, zodat hij weet waarover het gaat. Als hem dan verder voldoende zelfrespect en zelfvertrouwen zijn bijgebracht, zal hij weten dat hij niet alles moet doen wat een volwassene van hem verlangt. Hij moet ‘nee’ kunnen zeggen en dus ook ‘ja’ als iets hem bevalt. Conservatief opgevoede kinderen lopen grotere gevaren dan degenen die een vrijere opvoeding kregen.’

De rol van de maatschappij

De rol van de maatschappij en de omgeving bij het vraagstuk van pedoseksualiteit is op z'n minst twijfelachtig te noemen. In het voorafgaande is al verschillende keren naar voren gekomen dat gebrek aan een goede opvoeding op het gebied van seksualiteit een kind een stuk kwetsbaarder maakt en juist het risico op een aantal problemen kan verhogen.

We leven in een maatschappij waarin de seksualiteit van kinderen, hoewel aantoonbaar aanwezig, grotendeels ontkend wordt, is het niet op wetenschappelijk niveau, dan toch in ieder geval wel in de praktijk. Wanneer de omgeving van mening is dat seks en seksualiteit voor een kind geen rol spelen, of meer nog niet zouden mogen spelen, dan wordt er ook niet over gepraat en wordt er niet geleerd hoe daarmee op een goede wijze omgegaan kan worden.

Wanneer er richting kinderen wel over seks en seksualiteit gecommuniceerd wordt, gebeurt dit vaak, zeker waar het gaat om seks en seksualiteit met betrekking tot het betreffende kind, in termen als ‘vies’ en ‘smerig’. Seksuele contacten tussen kinderen onderling worden meestal afgekeurd, en voor contacten met oudere partners geldt dit nog veel sterker. Kinderen wordt duidelijk gemaakt dat ze iets verkeerds, iets afkeurenswaardigs hebben gedaan. Een dergelijke voorstelling van zaken zadelt iemand natuurlijk alleen maar op met verwarde gevoelens over haar of zijn seksualiteit. Een opgedrongen negatieve houding ten opzichte van seks, die in tegenspraak is met gevoelens die er bij beleefd worden, waar het gaat om wederzijds gewenst contact, veroorzaakt verwarring, onzekerheid en is daarmee volgens mij nogal schadelijk. Het is in dat opzicht meer een uiting van een verwrongen seksualiteitsnorm van de maatschappij dan van handelen ten bate van kinderen.

De maatschappelijke opvattingen over pedofilie en pedoseksualiteit zullen al tot voorzichtigheid nopen. Geheimhouding is, zoals al eerder vermeld, geboden, want aan het bekend worden van pedoseksuele contacten en pedofiele gevoelens zijn maatschappelijke en/of strafrechtelijke sancties gebonden. De negatieve gevolgen van gedwongen geheimhouding zijn al eerder aan de orde geweest.

Het is dan ook maar de vraag of in de huidige situatie niet veel meer eventuele schade veroorzaakt wordt door de maatschappelijke opvattingen omtrent seksualiteit en relaties dan door pedoseksueel contact als zodanig. Het zijn juist de maatschappelijke reacties die vaker verantwoordelijk zijn voor negatieve gevoelens en gevoelens als schaamte, schuld en spijt opwekken en het kind hoe dan ook in een slachtofferrol en de oudere partner in een daderrol duwen. Het seksuele contact kan op zich als prettig of onprettig ervaren worden, waarbij de grootste kans dat het als prettig ervaren wordt aanwezig is wanneer er een bewuste keuze gemaakt is om het contact te hebben, en zal er reden voor zijn dit contact wel of niet voort te zetten. Het streven zou moeten zijn dat een ieder dit zoveel mogelijk voor zichzelf kan uitmaken, los van wat de omgeving of de maatschappij als geheel ervan vindt.

Maatschappelijke opvattingen over seksualiteit, die inmiddels grotendeels achterhaald zijn, hebben natuurlijk op veel meer vlakken problemen veroorzaakt. De grote hoeveelheden onzin die er in de loop van de tijd zijn uitgestort over zaken als seks voor (zonder, bij, naast, na) het huwelijk, zelfbevrediging en homoseksualiteit hebben grote schade aangericht bij vele mensen. Nog steeds zijn er situaties te over te vinden waarin de overheid en/of maatschappelijk invloedrijke groeperingen menen een bepaalde opvatting over seksualiteit aan de hele samenleving te moeten opdringen: in België werden een rechter en z'n vrouw vanwege wederzijds gewenste SM-praktijken veroordeeld, in Engeland is groepsseks (meer dan twee personen) voor homoseksuele seks verboden en in meerdere staten van de Verenigde Staten van Amerika zijn zaken als orale en anale seks (zowel bij hetero- als bij homoseksueel sekscontact), samenwonen zonder getrouwd te zijn en overspel strafbaar (zie bijv. McWilliams, 1998).

Andere argumenten

Naast de hierboven besproken argumenten tegen pedoseksualiteit bestaan er natuurlijk nog wel meer. Ik laat deze hier buiten beschouwing, omdat ze enerzijds voortvloeien uit de meer omvattende behandelde argumenten en anderzijds niet relevant zijn. Zo wordt er wel beweerd dat seksueel contact tussen een oudere en jongere partner van hetzelfde geslacht het kind homoseksueel zou maken. Dit kan beschouwd worden als onderdeel van de zogenaamde verleidingstheorie, die er van uit gaat dat homoseksuelen jongeren voor hun seksuele voorkeur recruteren door ze via seks te verleiden. Deze theorie, die bijvoorbeeld in de wetenschap op weinig steun kan rekenen, wordt vooral gebruikt door minder verlichte geesten om homoseksuelen en de homobeweging als zodanig zwart te maken. In de puberteit komt homoseksueel contact volgens onderzoek vrij veel voor, zonder dat dit bepalend is voor de seksuele richting die daarna gekozen wordt. Je kunt je bovendien ernstig afvragen wat er mis aan zou zijn dat iemand door homoseksueel contact er achter komt deze vorm van seks prettig te vinden (zonder dat daarmee gezegd is dat deze persoon ook geen behoefte aan heteroseksueel contact daarnaast zou kunnen hebben). Dat is iets wat alleen van belang is als je homoseksualiteit als minderwaardig ten opzichte van heteroseksualiteit beschouwd, want over de bewering dat iemand heteroseksueel zou worden wanneer haar of zijn eerste seksuele contact van heteroseksuele aard is heeft nog nooit iemand zich druk gemaakt.

Tegenover allerlei tegenargumenten staan ook argumenten pro pedoseksualiteit, die gebaseerd zijn op ideeën dat pedoseksuele contacten speciale voordelen voor het kind met zich mee brengen en bijvoorbeeld opvoedigkundig waardevol zijn. Ik ben sterk geneigd ook deze argumenten niet over te nemen. Er zouden soms best gunstige effecten op kunnen treden bij seksueel contact of een relatie tussen kinderen en oudere partners, maar net als bij andere vormen van seksualiteit en andere relaties zijn zulke effecten niet inherent aan een bepaalde relatie of bepaalde vorm van seksueel contact.

Liefde of lust

Seks heeft maatschappelijk gezien een drietal te onderscheiden hoofdfuncties: voortplanting, uiting van emotionele gebondenheid (liefde) en uiting van lust (Bullinga, 1988).

Wanneer er een verschil tussen partners is in de achtergrond en verwachtingen van waaruit seks plaatsvindt, de functie die het voor de partners heeft, kan dit tot problemen leiden. Dit is iets wat voor seks in het algemeen geldt en niet in het bijzonder voor pedoseksualiteit. In het algemeen zou het dan ook goed zijn wanneer de verwachtingen van de partners overeenkomen of wanneer er in ieder geval voor een ieder duidelijkheid is over de verwachtingen van de ander(en).

De situatie dat het kind op meer rekent op het vlak van emotionele gebondenheid, waar de oudere partner een seksueel contact vooral als uiting van lust ziet, zonder dat daar andere relationele aspecten aan gekoppeld hoeven te worden, kan zich voordoen, evenals de tegenovergestelde situatie waarbij de oudere partner het seksueel contact als uiting van liefde beschouwd en misschien meer op een langdurigere en diepgaandere relatie hoopt en het kind het contact juist als eenmalig, louter als uiting van lust of experimenteerdrang ziet. Dit zijn alletwee situaties die vanwege het verschil in verwachtingen problemen kunnen veroorzaken, maar ze zijn zeker niet specifiek voor pedoseksuele contacten. Het is best mogelijk dat iemand kwetsbaarder en gevoeliger voor dit soort zaken is wanneer zij of hij de eerste schreden op het pad van seksualiteit en relaties zet, maar die eerste schreden zullen toch een keer gezet worden.

Het is onzin het criterium van de verhouding tussen liefde en lust als maatstaf te nemen voor beoordeling van pedoseksuele contacten en aan de hand daarvan te beweren dat deze alleen toelaatbaar zouden zijn wanneer ze op liefde gebaseerd zijn, in die zin dat ze vallen binnen de tweede hoofdfunctie van seks, de uiting van emotionele gebondenheid. Er is niks mis met seks als uiting van lust zonder dat daar een hogere vorm van liefde aan gekoppeld is. Wanneer volwassenen seks met elkaar hebben wordt hier meestal ook niet zo'n punt van gemaakt, afgezien van mogelijk bestaande maatschappelijke opvattingen over de wenselijkheid van een emotionele gebondenheid tussen deze personen die verder gaat dan de seks als zodanig. Zulke opvattingen vervallen echter weer in het eerder in dit stuk afgewezen 'norm' en 'deviant'-denken op grond van een verkeerde norm.

Conclusie

Zwart-witdenken is een gevaarlijke valkuil bij het onderwerp 'pedoseksualiteit'. Veel literatuur hierover blijft helaas wel in dergelijk denken steken. Aan de ene kant staan schrijvers die elk pedoseksueel contact veroordelen, en het zo afschuwelijk mogelijk verbeelden (zie bijv. Van Engelen, 1999 en O'Grady, 1995) en aan de andere kant schrijvers die in hun verdediging van pedoseksualiteit nauwelijks oog hebben voor mogelijke negatieve kanten en risico's (zie bijv. Brongersma, 1993).

Uitgaande van de door mij geschetste norm met betrekking tot seksualiteit en relaties, kan gesteld worden dat pedoseksuele contacten en pedofiele relaties net als alle andere seksuele contacten en relaties beoordeeld moet worden aan de hand van de vraag of er schade toegebracht wordt. Daarop is geen eenduidig antwoord mogelijk en daarom moeten alle gevallen afzonderlijk bekeken worden. Dit pleit ervoor pedofilie en pedoseksualiteit als zodanig niet af te keuren.

Tegelijkertijd moet wel erkend worden dat het risico dat er schade toegebracht wordt aan één, beide of meerdere van de partners bij deze relaties en contacten groter kan zijn dan bij de meeste andere vormen van seksualiteit en relatievorming. De drie belangrijkste factoren die hierbij een rol spelen zijn volgens mij de hogere kans op machtsongelijkheid tussen de partners en het hebben van onvoldoende inzicht over wat een beslissing om seks te hebben, die aan de kant van het kind een rol spelen, en de maatschappelijke afkeuring, die aan de ene kant de oudere partner veroordeelt en aan de andere kant het kind, hoe dan ook, een slachtofferrol en negatieve gevoelens over de seks en/of de relatie opdringt. Een verandering in de maatschappelijke opvattingen over seksualiteit in het algemeen, en seksualiteit en kinderen in het bijzonder, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het minimaliseren van deze factoren, waardoor de kans op het ontstaan van schade bij één, beide of meerdere partners een stuk kleiner zal zijn. Misschien ligt het probleem wel minder bij de pedoseksualiteit als zodanig en meer bij maatschappelijke normen en gebruiken.

Literatuur

Aardweg, G.J.M. van den, Homofilie, neurose en dwangzelfbeklag; een psychologische theorie van de homofilie toegelicht met een analyse van leven en werk van André Gide, Polak en Van Gennep, Amsterdam, 1967

Anapol, Dr. Deborah M., Polyamory: the new love without limits: secrets of sustainable intimate relationships, Intinet Resource Center, 1997

Barth, Annelies, Tegendraads?!; een andere kijk op homoseksualiteit, Uitgeverij Voorhoeve, Kampen, 1998

Bergsma, Wiego, Michiel Odijk, Rob Tielman en Henk Wildschut, Homoseksualiteit en agressie; flikkers en potten in verzet, Werkgemeenschap Sociale Wetenschappen en Homosexualiteit en het Roze Front, Den Haag, 1983

Brongersma, Edward, Jongensliefde: seks en erotiek tussen jongens en mannen, SUA, Amsterdam, 1993

Bullinga, Marcel, Een wereld van verschil; op weg naar een geëmancipeerde samenleving, Uitgeverij An Dekker, Amsterdam, 1988

Carmichael, Carrie, Niet-seksistisch opvoeden, Van Gennep, Amsterdam, 1979

Comiskey, Andrew, Pursuing sexual wholeness; how Jesus heals the homosexual, Creation House, Florida, 1989

Dudink, Stefan, Jodie Foster en/als John Travolta; identiteitenpolitiek en 'queer theory', in: Jan Willem Duyvendak (red.), De verzuiling van de homobeweging, SUA, Amsterdam, 1994

Easton, Dossie and Catherine A. Liszt, The ethical slut: a guide to infinite sexual possibilities, Greenery Press, 1998

Engelen, Ireen van, En ze noemen het liefde: pedofilie, ontucht en sekstoerisme, Uitgeverij De Geus, Breda, 1999

Estrich, Susan, Real rape; how the legal system victimizes women who say no, Harvard University Press, Cambridge/Massachusetts/London, 1987

Fitzpatrick Hanley, Margaret Ann (ed.), Essential papers on masochism, New York University Press, New York, 1995

Gianini Belotti, Elena, Zo worden kleine meisjes groot; de maatschappelijke conditionering van de vrouw in de vroege kinderjaren, Uitgeverij Bert Bakker, Den Haag, 1975

Gilmore, David, De man als mythe; mannelijkheid in verschillende culturen, Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 1993

Golen, Anne van, Eenzame strijd, Uitgeverij Kok Voorhoeve, zp, zj

Goodloe, Amy T., Lesbian feminism and queer theory: another ‘battle of the sexes’?, zp, 1994

Hessellund, Hans, Geslacht, identiteit en rol; een onderzoek naar gedragspatronen en geslachtsverschillen, Kooyker Wetenschappelijke Uitgeverij bv, Rotterdam, 1977

Jeffreys, Sheila, Queer politics and bisexuality, zp, zj

Jeffreys, Sheila, Queer theory and violence against women, zp, 1999

Jeffreys, Sheila, The eroticism of (in)equality, zp, 1999

Leeuwen, Riekje van, Irma Dakman en Germaine Nijsten, Hij, anders zij; over transseksualiteit, Uitgeverij Elmar bv, Rijswijk, 1992

McWilliams, Peter, Ain’t nobody’s business if you do: the absurdity of consensual crimes in a free country, Prelude Press, Los Angeles, 1998

Mepschen, Paul en Peter Drucker, Dit land is helemaal niet liberaal; interview met Gert Hekma, in: Grenzeloos, Amsterdam, 6 maart 2000

Meulenbelt, Anja, De schillen van de ui; socialisatie: hoe zijn we vrouwen en mannen geworden, Feministische Uitgeverij Sara, Amsterdam, 1984

O'Grady, Ron, Schande!: de schokkende wereld van sekstoerisme en kinderprostitutie, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 1995

Queer Guerilla, Persbericht, 25 juni 2002

Rijnaarts, José, Dochters van lot; over incest, Uitgeverij Maarten Muntinga bv, Amsterdam, 1987

Spaink, Karin, m/v*; * doorhalen wat niet van toepassing is, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1998

Sporken, Paul, Ethiek en gezondheidszorg, Uitgeverij Ambo bv, Baarn, 1977

Stoute, René, Een goeie travestiet zie je niet, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1994

Tolsma, Dr. F.J., Homosexualiteit en homoërotiek, Bert Bakker/Daamen nv, Den Haag, 1963

Warmerdam, Hans, Guerrillero's tegen normaliteit; de radicale homobeweging in Nederland 1975-1980, in: Irene Costera Meijer, Jan Willem Duyvendak en Marty PN van Kerkhof, Over normaal gesproken; hedendaagse homopolitiek, Schorerstichting, Amsterdam, 1991

Werner, W.G., Het recht geworden woord; over de geschiedenis van het rechtspositivisme en de mogelijke betekenis van het pragmatisme voor de toekomst daarvan, Faculteit Bestuurskunde, Universiteit Twente, Enschede, 1995