De pedowaan in het dagelijks leven: een gevaar voor iedereen

De reden dat ik op dit forum actief ben, is mijn diepe verontrusting over het verschijnsel dat ik de "pedowaan" heb gedoopt: de alsmaar in hevigheid toenemende moral panic inzake pedofilie. Die heeft inmiddels weinig tot geen relatie meer met de (al dan niet terecht veronderstelde, daar gaat het nu even niet over) schadelijkheid van seks voor kinderen. Het is uitgegroeid tot een ware heksenjacht in de meest klassieke betekenis van het woord, en je hoeft allang niet meer pedofiel te zijn om de negatieve gevolgen aan den lijve te ervaren.
Evenals destijds de heksenwaan -- of het McCarthyisme, for what that matters -- vergiftigt de pedowaan het maatschappelijke klimaat en leidt het tot ontelbare, even geschifte als akelige uitwassen (hier is een klein voorbeeld van bijna Monty Python-achtige absurditeit, dat ik buitengewoon komisch zou vinden als het niet zo intens triest was, vooral voor de betrokken kinderen).
Wie het ten tijde van de heksenwaan opnam voor heksen, of het bestaan van hekserij ontkende, liep zelf gerede kans om als heks te worden beschouwd en dienovereenkomstig behandeld. En die kans gold au fond voor iedereen, want een wezenskenmerk van zo'n moral panic is dat alleen al de beschuldiging van hekserij, communisme, pedofilie, of wat dan ook, alras leidt tot algemeen wantrouwen, collectieve haat, onterechte strafvervolging en acuut gevaar voor have, goed, lijf en leden. In de ogen van het klootjesvolk is de aantijging het bewijs van schuld; waar rook is, moet tenslotte vuur zijn.
Wie een vijand, een medeminnaar of een zakelijke concurrent kwijt wil, hoeft alleen maar de beschuldiging rond te strooien. Elk verweer is zinloos.

Ik ben allesbehalve pedofiel. In mijn kennissenkring sta ik zelfs bekend als een kinderhater, maar dat is niet geheel en al to the point. De werkelijkheid is dat ik over het algemeen niet goed met kinderen om weet te gaan; ik verplaats me slechts moeizaam in hun leefwereld en hun spontaniteit verwart me. Dat had ik al toen ik zelf nog een kind was. Misschien was ik als kind niet geschikt om kind te zijn.
Een hekel aan kinderen as such heb ik dus niet; men zou mij met evenveel recht en reden een bejaardenhater kunnen noemen. Desalniettemin heb ik sinds jaar en dag de onwrikbare gewoonte aangenomen om kinderen te mijden alsof het om een besmettelijke ziekte gaat. Ik ben een eeuwige vrijgezel op leeftijd en de meeste mensen beschouwen me als een excentriek type... ik heb overigens nooit begrepen waarom; ik vind juist de rest van de mensheid buitengewoon excentriek!
Maar alle gekheid op een stokje; als alleenstaande rare ouwe snijboon krijg je des te sneller te maken met de beschuldiging waartegen elk verweer zinloos is en ik acht het wèl zo verstandig om daar terdege rekening mee te houden. Intussen leidt dat met een zekere regelmaat tot sneue situaties. Enkele voorbeelden:

Ik heb twee schattige buurmeisjes: zusjes van een jaar of tien, elf. Als ik die kinderen in het trappenhuis tegenkom, zeuren ze dat ze met me mee willen, mijn huis in. Ze weten dat ik twee heel lieve, aanhalige katten heb en daar willen ze dolgraag mee spelen. Ze weten ook dat ik meerdere computers heb en daar willen ze netwerkspelletjes op doen. Waarschijnlijk hebben ze het een en ander van hun vader gehoord; die komt sporadisch bij me over de vloer voor burenoverleg.
Op zichzelf zijn die meiden welkom -- mijn dierbare poezebeesten lusten wel pap van aandacht -- maar ik laat ze alleen maar binnen als hun moeder meekomt. Dat wil zeggen: nooit, want dat mens is zo verlegen dat ze op straat nauwelijks durft te groeten. Hun vader is als chaperon geen optie; die is vanwege zijn werk (op een booreiland) meestal afwezig en als hij al thuis is, heeft hij vóór alles behoefte aan afzondering en rust. Hij heeft overigens herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij het prima vindt als zijn dochtertjes onbegeleid bij mij komen spelen, maar evengoed begin ik er niet aan. No way! Ik woon in een volksbuurt, met alle gegluur, geroddel en achterklap van dien. Het risico van een tegen mijn persoontje gerichte zeisen- en hooivorkenactie van opgefokte buurtbewoners is me te groot.
Ik durf die kinders nog niet eens op een ijsje te trakteren als ik ze ter hoogte van de plaatselijke ijssalon tegenkom. Voor je het weet wordt zoiets verkeerd begrepen door een plaatselijke roddeltante en krijg je te maken met de beschuldiging waartegen elk verweer zinloos is.

Schoolvrienden van me, met wie het contact sinds bijna twee decennia was verwaterd, bleken bij hernieuwde ontmoeting met elkaar getrouwd te zijn en een dochtertje van een jaar of tien te hebben. Voor de gelegenheid noem ik haar Lotje.
Zoals gezegd heb ik niet veel met kinderen, maar Lotje was een uitzondering. Ze was lief, mooi, op een zeer plezierige manier spontaan, knuffelig en ongewoon intelligent en empathisch voor haar leeftijd, en ze vatte om voor mij ondoorgrondelijke redenen een acute voorkeur voor mij op. Als haar ouders en ik bij elkaar langskwamen, bleef ze voortdurend in mijn nabijheid, was ze niet van mijn schoot te sláán en wilde ze oeverloos met me babbelen over van alles en nog wat. Ik op mijn beurt vond haar heel erg leuk gezelschap en raakte sterk aan haar gehecht, al was het alleen maar omdat ik van alles uit mijn eigen jeugd in haar herkende. Ze was, bijvoorbeeld, net zo'n boekenwurm als ik destijds en had zichzelf, evenals ik, op zeer jonge leeftijd lezen geleerd. Ik kocht vaak boeken voor haar.
Op een dag kwam haar moeder met een plan: Lotje wilde dolgraag een dagje met mij naar de Efteling. Dat heb ik vierkant en vlakaf geweigerd. De pedowaan had toen nog niet zulke wanstaltige vormen aangenomen als vandaag de dag, maar het was al aan de gang en ik had, hoe dan ook, geen zin in troebele situaties. Close zijn met Lotje in aanwezigheid van haar ouders vond ik prima, maar een één-op-één situatie met een bloedmooi aanhalig kind was me te link. Haar moeder heeft nog geprobeerd me op andere gedachten te brengen met het argument dat Lotje zich verheugde op een hele dag met mij alleen en dat ze verschrikkelijk teleurgesteld zou zijn, maar desondanks heb ik voet bij stuk gehouden.
Mijn kleine vriendinnetje heeft me mijn weigering enorm kwalijk genomen; onze vriendschap was van het ene op het andere moment over en uit. Als haar ouders bij mij op bezoek kwamen, wilde ze niet meer mee. Wanneer ik haar ouders opzocht negeerde ze me, verdween ze onmiddellijk naar haar kamer en liet ze zich niet meer zien.
Ik heb dat heel erg jammer gevonden, en uiteindelijk is mijn vriendschap met haar ouders om deze reden opnieuw doodgebloed.

Dat is nu bijna tien jaar geleden. Lotje is inmiddels een volwassen studente en onlangs heb ik haar teruggezien in een café in de stad. Ik herkende haar niet onmiddellijk, zij mij wèl.
Ik heb een uur of wat met haar gepraat en herinneringen opgehaald. Ze gaf te kennen dat ik haar een van de grootste teleurstellingen van haar kindertijd had bezorgd; het contact was zeer belangrijk voor haar geweest. Ze bleek kinderlijke, erotische gevoelens jegens mij gekoesterd te hebben en ze had mijn weigering destijds ervaren als een botte, ongemotiveerde, volkomen onverwachte en totaal onbegrijpelijke afwijzing mijnerzijds. Daar kon ik wel inkomen.
Achteraf kon ze overigens begrip opbrengen voor mijn handelwijze en zag ze in dat die niets met haarzelf te maken had gehad, maar dat ik alleen maar beducht was geweest voor de beschuldiging waartegen elk verweer zinloos is. Desondanks heeft de hernieuwde ontmoeting niet geleid tot hernieuwde vriendschap; iets onbenoembaars is definitief kapot.

Een maand of wat geleden zat ik met een stel kroegvrienden aan de toog, de stemming was lacherig en het bier smaakte uitstekend. Af en toe werk ik als gids in een middeleeuwse kerk -- dat is mijn hobby job -- en ik vertelde een gloedvolle anekdote over een stel werkelijk monsterlijke, drukke, totaal onopgevoede en in het algemeen buitengewoon weerzinwekkende etterbakjes van kinderen, die mijn halve rondleiding van die middag hadden versjteerd zonder dat de toegeeflijk glimlachend toekijkende ouders ingrepen.
"Allemachtig, Sardonicus, wat een verháál", giechelde een van de dames. "Volgens mij ben jij ècht een ontzettende kinderhater!"
"Nee hoor! Hoe kom je dáár nou bij," riep ik baldadig. "Ik ben dòl op kinderen! Sommigen van mijn beste vrienden zijn kinderen!"
Er viel een korte gechoqueerde stilte, gevolgd door een daverende storm van vlezig gelach, en ik besefte met een schok dat ik zojuist hardop, in volle openbaarheid, iets had gezegd dat me, met een beetje pech, duur te staan zou kunnen komen: op de beschuldiging waartegen elk verweer zinloos is.

Waarmee ik maar wil zeggen: niet alleen pedofielen hebben in het dagelijks leven te maken met de heksenjacht der pedowaan, die steeds groteskere vormen aanneemt. Iedereen, zonder uitzondering, is tegenwoordig genoodzaakt serieus rekening te houden met de mogelijkheid van de beschuldiging waartegen...
Enfin, dat zinnetje kent u onder de hand wel. Ik hoop dat u ook begrijpt wat ik ermee bedoel.